dinsdag 7 februari 2012

SCHRIJVER JAN DE HAAN EN ZIJN ILLUSTRATOREN


Heinkray
HEIN AUKE KRAY
Hein kray 
HEIN AUKE KRAY
't Geweld onttogen
De torenklok zweeg
Een schip in de dorpsvaart
Tekening schookrant
Gewont1
Geont
DetoZwe
EenShiDo
Heinkray
                                     HEIN AUKE KRAY


                      ASSEN 19- 4- 1901  ASSEN 22- 3  1995

Hij was een leerling van Jean Krans en Eduard Houbolt (1922- '23). Studeerde medicijnen in Groningen (1923- 1929), maar rondde de studie niet af, Hij schilderde, aquarelleerde, illustreerde en ontwierp een tekenmethode voor het onderwijs.
Hij was getrouwd met Cateau Sijsma, die onder het pseudoniem To van Thiel o.a. zondagsschoolboekjes schreef
In 1923 begon hij bijdragen aan politieke Cartoons van kranten xe2x80x9cDe Houten Pomp en De Standaard.

Kerstverhaal 


2 kerstverhaal 
 
Hp1 
 
  
  
Hp2 
 
Hp3 
 Hij maakte zijn debuut als een komisch artiest in 1930, toen zijn strips Per Vliegmachine de Wereld Rond ( geschreven door Joustra) werd gepubliceerd in kranten De nieuwe Provinciale Courant en De Nieuwe Drentsche Courant.
Voor deze creëerde hij een totaal van negen komische strips, zoals Pikkie en Goudglansje (1936), Baas Blaas, de Tielse kruidenier (1938- '40). Davina's Eekhoorntje (1946), Koos de Fantast (1951). Deze vier titels waren geschreven door Hein Krays vrouw, To van Tiel.
Andere  komische strips door Hein Kray, verschenen in De Standaard waren Pietje en Wietje, Met Pippie Tater en Simpie Goochem op stap(1923- 33), geschreven door Ad Goede, De Broertjes Brand (1936, geschreven door A. C. Biemond) en Vakantie van Kees Knip (1940), geschreven door Nel van Vlis)
  
Kray_hein_1936 
 
  
Kray_hein_brand 
  
Kray_hein_detail 
 
  
Kray_hein_pietjewietje
Kwiebus Kwas, geschreven door Kray vrouw, verschenen in Het Rotterdammer Kwartet, vier lokale kranten, in 1939.
Hein Kray illustreerde ook verschillende kinderboeken en was  van de stichters van de artiestengroep: De Drentsche schilders, die bestond tot 1953.

Informatie ontleend aan:
http://www.achterderug.nl
lambiek.net/artists/k/kray hein.htm

Dehopo
MENNO VAN MEETEREN BROUWER
(Zwolle 1882 - Rijswijk 1974)
* Schilder (Portretten en Indische landschappen)
* Illustrator kinderboeken, schoolplaten en romans
* Politiek tekenaar
* Ontwerpen van affiches, reclame en toneeldecors

OPLEIDING
* Haagse Tekenacadenie
* Kunstnijverheidsschool te Haarlem
* Rijks academie van Beeldende Kunsten te Amsterdam (1904 - 1907)
Hij verblijft van 1910 - 1922 in  Nederands - Indie

Bronnen:
Richard van Schoonderwoerd
Menno van Meeteren Brouwer (1882 - 1974) in Boekenpost, juli/ augustus 2007
MennoVanMeeteren2

MennoVan Meeteren
MennoVanMeeteren1

MennoVanMeeteren3
MennoVanMeeteren4
MennoVanMeeteren5
MennoVanMeeteren6
MennoVanMeeteren8
Menno

 Fw3425 

                                                       HENK POEDER
_KvanV 
Poeder1
Poeder2



Hpoeder

HENK POEDER 
IN MEMORIAM
(20 april 1897- 9 december 1958)

"Ga je vanmiddag mee in de roeiboot naar Ganzediep?”
Deze vraag heb ik vaak van mijn vader gehoord, op zonnige zomerden in het bleekgetinte herfstseizoendagen. 
En dan zwierven wij de rivier op, over de wijdte van het water onder een Hollandse wolkenhemel – op de achtergrond het vergrijzend silhouet van de stad met haar brug en karakteristieke torens. 
Het verwijderend stadsrumoer in de verte werd doorklonken met het zacht geklots van het water tegen de boeg, totdat we alleen  dit nog hoorden en her ruisen van de wind in het riet. Zo werd de sfeer zwanger, waaruit schilderijen  geboren werden.
Dit is een greep uit de tweede gelukkige periode van zijn leven,  toen de zomers altijd zonnig schenen.

De eerste gelukkige periode was zijn jeugd. 
Dikwijls zei hij: 
“Je jeugd, dat is de mooiste tijd van je leven, als je nog onbezorgd met je vader kunt wandelen”
Talloze avonturen heeft hij ons over zijn jonge  jaren verteld.  
Opgevoed in een klein Drents gezin, waar men het omtrent de eeuwwisseling niet breed had,   was hij er al  vroeg mee bekend, dat een dubbeltje verscheidene malen werd omgekeerd  vóór het uitgegeven werd. 
Dat betekende ook, dat betekende ook, dat de ouders  aan de wens van hun zoon om schilder te worden slechts twijfelachtige waarde toekenden. 
Zij wisten heel goed, dat voor de  bevrediging  van  de levens behoeften een prozaïscher beroep betere kansen gaf.
De verschijning in Assen van een Franse schilder, die als Lamech twee vrouwen had, bracht de schilderkust in de calvinistische ogen zijn der ouders nagenoeg in discrediet. 
Evenwel kwamen zij hem in zover aan zijn verlangen  tegemoet, dat hij knechtje mocht worden bij een huis- en decoratieschilder, waar hij een kwartje in de week verdiende.
Van dit kwartje per week mocht hij zelf een stuiver houden. 
Hiervan kocht hij telkens voor een halve stuiver zijn eerste olieverven en penselen. Het andere materiaal vervaardigde hij zelf. 
Een palet sneed hij uit een dunne plank en een paletmes maakte hij door een afgedankt dik broodmes zolang dagen dagen achtereen op een slijpsteen te slijpen, dat het buigzaam was en zijn ene wijsvinger tengevolge van het voortdurend krampachtig drukken nog een week helemaal krom stond. 
Een van de waslijn op zolder gehaalde schort van zijn zuster werd verknipt en op een houten raam gespannen; zo verkreeg hij zijn eerste ”doek”. 
De rest van de nog bijna nieuw schort werd zorgvuldig weggedaan, en hij heeft ons vaak vermaakt door de verdwaasde gesprekken na te doen (hij kon meesterlijk imiteren) tussen zijn moeder en zuster, die maar niet maar niet konden begrijpen waar dat ding toch gebleven kon zijn. 
Hij heeft het ze nooit verteld, en tenzij zijn zuster het op dit moment leest, weet ze het nu nog niet.

Zo werden de eerste moeizame schreden op het pad der kunst gezet.
Naderhand kreeg hij enige leiding van de Asser schilder Louis Krans van Roesing en van de Belg Van den Drieche.
Dit alles in zijn vrije tijd wel te verstaan, want daarnaast moest hij aan het voor hem prozaïsche productieproces van het evonomich leven deelnemen.
Zo is hij een korte tijd jongmaatje geweest bij een huisschilder, slechts enige weken. In Assen werd toen toen een schilderijententoonstelling gehouden, echter op een zaterdag.
Nu kende men in die tijd nog niet algemeen de vrije zaterdagmiddag. Zo gebeurde het dat de patroon hem ’s maandagsnorgens vroeg, waar hij die zaterdagmiddag geweest was.
“Op de tentoonstelling”, was het laconieke antwoord.
“Dus jòuw werk gaat vóór mijn werk? vroeg de baas verder.
Hart grondig kwam er toen uit:
“Ja!
Mijn werk gaat voor" ,waarop de baas reageerde met:
"Donder dan meteen maar op!”
Een andere keer was hij winkelbediende annex loopjongen in een kruidenierszaakje, waar hij stroop moest afwegen of spek snijden.
Alleen bij het etaleren kon hij zijn  artistieke neiging  nog een beetje uitleven.
Eenmaal had hij met verschillende gekleurde soorten vogelzaad op een stuk karton een enorme haan en een kip gemaakt in de etalage.
De vrouw van de eigenaar riep toen ze het zag verbaasd uit:
“Maar Hendrik, jongen, heb je dat zo mooi gedaan!”
En de hele buurt kwam natuurlijk kijken.
Dan weer was hij bediende op het kantoor van een eenvoudige handelszaak.
Hier werd hij gemarteld met met langwerpige kasboeken, waarin hij grote rijen verschrikkelijke getallen foutloos moest optellen.
Meestal midden onder de telling kwam dan de kortgebouwde baas binnenvliegen, die riep: “Hendrik, schrijf vlug even op:
 Voor Sietsema, 12 pond grauwe erwten, 10 pond bruine bonen, 8 en half pond capucijners, 15 pond………, hoeveel kost dat bij elkaar?”
Volgens zeggen van mijn vader heeft er nooit een telling direct geklopt.

Ondanks deze moeilijkheden of misschien juist dank zij deze moeilijkheden en de overwinning daarop vond hij zijn jeugdjaren  de mooiste tijd van zijn leven.
Het verlangen daarnaar, dat altijd uit zijn enthousiaste verhalen sprak, kwam in de laatste periode van zijn leven in verdubbelde mate weer naar boven.
Hoe vaak hebben we hem niet aan zijn bureau met zijn agenda’s voor zich zien zitten mijmeren over die tijd.
Dan zei hij opeens:
 “Vandaag is het precies zoveel jaren geleden, dat ik met mijn vader op een stralende zondagmorgen uit de kerk tussen de zonnige korenvelden en de weilanden liep.
Uit de verte  de aanwaaiende klanken van het klokgebeier en vlakbij het gezoem van bijen en hommels.
Een overweldigende indruk, die ik nooit zal vergeten. 
Maar het is voorbij, voorbij……… 
Hij kon er niet over uit, dat het het  jonge verouderde en dat op deze aarde al het schone gedoemd was te verdwijnen. 
Vaak hadden we het daarover, maar de blijdschap kwan terug als we over de hemel spraken, waar niemand meer zal vergrijzen en waar alles rein, alls welluidend zal blijven.


Omstreeks 1920, toen hij inmiddels verhuisd was naar Soest, kreeg hij tekenlessen van de zeer begaafde Ising.
In die tijd heeft hij weinig geschilderd, daar toen een slepende en slopende ziekte zijn lichaam aantastte, waardoor hij te moe was om een kopje koffie naar zijn mond te brengen, ja, zelfs voor het uitspreken van de letter r kon hij zijn tong niet meer voldoende bewegen.
Toch glansde er ook in die duisternis het licht, slechts te grijpen en te begrijpen voor wie ogen heeft om te zien.
Toen hij eens bij het beklimmen van de trap achterover was geslagen met zijn hoofd tegen de vloer, zei hij na de daaropvolgende urenlange bewusteloosheid, telkens als men hem iets vroeg.
 “Wat God doet, is welgedaan”

In die donkere periode is hij omstreeks 1930 met zijn gezin in Kampen komen wonen.
Na enige jaren trad er plotseling een snelle verbetering op in zijn lichamelijke toestand en kon hij hij weer naar buiten.
Toe brak de tweede gelukkige periode voor hem aan.
In die tijd kocht hij een roeibootje, waarmee wij talloze keren er opuit trokken, meestal naar het Ganzediep.
Dikwijls voeren wij dicht onder de oever, waar riet en biezen wiegelden.
Het zachte schuren van de flanken van ons schuitje langs de bladen van de waterlelie en gele plomp accentueerde de rust van de omgeving.
Een roze zwanebloem en een lis gluurden uit het riet.

“Kijk, een aalscholver!”
En ja, een eindje verder op een lange houten paal tussen de granietstenen van een krib zat er een, die bij onze nadering wegwiekte.
Bij een stil plekje schoot het bootje naar de kant en legden wij aan.
“Mmmmm, wat prachtig hier; dit moet ik schilderen!”
Tientallen, misschien wel meer dan honderd studies hebben zo hun leven te danken.
Deze studies van ongeveer anderhalve vierkante decimeter werden thuis uitgewerkt tot schilrijen.
Hoewel hij in zijn jeugd enige leiding had gehad, was hij als schilder toch eigenlijk autodidact. 


Zijn techniek perfectioneerde zich meer en meer, en wijzigde zich in de latere jaren in de richting van een vlotte, moderne ietwat schetsmatige stijl
Hij was geen schilder van wat men tegenwoordig problemen pleegt te noemen, maar hij zag het wonder in in het gewone, in het ongecompliceerde.
Met een afkeer van alles wat zich door bizarheid aan de aandacht wilde opdringen, zocht hij de schoonheid in het alledaagse, waar men doorgaans achteloos aan voorbijgaat, bloeiende gele brem in juichend zonlicht, een zware loodgrijze regenlucht boven een eiland, een stilleven met de glans van een koperen ketel, een waterpartij. 
Mauve en Maris (Willem) van de Haagse school waren zijn favorieten.
Maar als men hem nieuwsgierig vroeg: 

“Is dit nu impressionisme?” antwoordde hij met enige tegenzin: 
“Noem het zo, als u wilt, maar hoe vindt u het?” 
Hij analyseerde niet, maar wilde steeds het geheel zien. 
Hij benaderde de kunst niet van de intellectuele theoretische zijde,  maar van de praktische kant. 
“Bij een mooi schilderij ga je niet gewichtig zitten praten , je moet het zien! Muziek kun je ook niet ruiken, dat moet je hóren!”


Even intens als hij de blijdschap over de schoonheid beleefde, ervoer hij de pijnlijke onwetendheid en de weinige kunstzinnigheid der mensen. 
Hoewel dit hem zeer bedroefde, zag hij daarin toch ook de humor blinken. Eens liet hij hij aan de bezoeker een sneeuwlandschap zien. 
Deze zei met een intonatie van plotseling begrijpen:
“Aah. Dat is nou een stilleven, dát is nou stilleven”. 
Een andere keer toonde hij  met enige trots zijn originele Maris aan een lijstenhandelaar die meende verstand van kunst te hebben. 
Bewonderend zei de man: “Ja warempel, een echte Pieter Marits”. (1)



Hij leefde in zijn werk, hij ging daar helemaal in op. 
Soms hield hij onder het bidden ineens op; na het amen zei hij dan:
“Ja, ik moest even ophouden, ik zag zo’n bijzonder mooi schilderij; even een schetsje van maken”.
En ik zie hem nog lachen, toen een van de studenten hem heet van de naald kwam vertellen, dat K.S. op college had gezegd dat er in de hwemel ook weer geschilderd zou wordem.
De zondag, waarop hij niet mocht schilderen, vond hij de vervelendste dag van de week. 
“Ik ben altijd blij als ik ’s maandags weer aam mijn werk mag”. 
Zingend stond hij steeds voor zijn ezel. 
Niet dat hij niet graag over geestelijke dingen sprak, integendeel. 
Meermalen werden in de grote, gezellioge huiskamer de gesprekken o. a. met theologische studenten tot diep in de nacht voortgezet, maar de nadruk lag niet op de dogmatische theoriën, waarbij het hart gevaar loopt koud te blijven. Hij wilde praktisch zijn en Gods hand zien in alle dingen des dagelijkisen levens.
Wanneer hij b.v. het door hem getekende portret van zijn vader liet zien, verzuimde hij niet erbij te vertellen.
“Dit is het nerkwaardigste portret dat ik heb getekend.
Mijn vader was driftig en kortaangebonden, en kon daarom niet lang stilzitten. Daardoor heb ik zijn hele leven nooit gelegenheid gehad eens een tekening van hem te maken. 
Maar toen hij eens een paar dagen bij ons gelogeerd


Was, hebben we het nog eens geprobeerd en is het gelukt, voor het eerst.
De volgende morgen, toen hij zou vertrekken, is hij in alle vroegte onverwachts overleden. 
En dan eindigde hij altijd met te zeggen;
Ik beschouw het als een vriendelijkheid van God, dat hij me dit aandenken aan mijn vader op de laatste dag van diens leven heeft geschonken!



Deze gelukkige tijd is wel zijn vruchtbaarste schilderperiode geweest. 
Hoewel hij in die tijd lichamelijk aardig goed was en vaak naar buiten ging om te vissen of te schilderen, is hij nooit meer geheel normaal gezond geweest.
Hij was vaak en snel vermoeid. 
En naarmate de jaren voortschreden ging zijn lichamelijke toestand allengs achteruit, een gevolg van zijn vroegere ziekte. 
Langzaam maar onafwendbaar namen zijn krachten af, en hij wist dat.
Aanvankelijk kwam hij nog wel eens buiten, maar de afstanden werden steeds kleiner. 
Zo schreef hij in zijn brieven:
“Het was vanochtend mooi weer. 
Ik heb even een eindje gewandeld. 
Oudestraat tot de Plantage.
’t Viel me mee, maar ik word oud en gebogen.
Als ik me zie in de etalages …….een oud mannetje……o wat erg ……maar de zon scheen…..”
En later: 
“Ik heb nog even tot de Bovenkerk gelopen en weer terug”.
En nog later: 
“We zijn gisteravond op bezoek geweest aan de overkant”. 
Tenslotte kwam hij helemaal niet meer buiten en in die laatste reeks van jaren heeft hij aan den lijve gevoeld, wat zijn ouders bij zijn doop hadden beleden:…….dat dit leven niet anders is dan een gestadige dood.
Tijdens de laatste maanden van zijn leven heeft hij nog een schilderstukje gemaakt. 
Een melancholiek riviergezicht in de herfst met een paar eenzame rietpluimen op de voorgrond. 


Hij heeft gevoeld dat dit zijn laatste werk zou zijn, want hij zei ervan: 
“Mijn laatste groet”.
Hoewel hij veel over geestelijke dingen sprak, was hij toch in zijn laatste jaren somber gestemd. 
Hij wist wel dat de grote heerlijkheid zou komen, maar de druk van het langzaam sterven versomberde toch zijn aardse leven, dat hij hartstochtelijke liefhad. 
In zijn laatste brieven schreef hij: 
"Ach man, wat is het leven mooi, hé!
Jullie staan nog aan ’t begin. 
Wij gaan de neergang. 
Dat valt me niet mee. 
Ja, ik weet het wel, de grote opgang komt later”.
Hij was schilder in hart en nieren en kon niet loskomen van zijn werk. 
Hij hing met elke levensvezel aan de aarde en haar schoonheid. 
Des te meer verwonderlijk was zijn reactie op de laatste dag van zijn leven, toen ik bij mijn komst mijn spijt erover uitdrukte, dat ik niet de reproducties van enige schilderijen had meegenomen, die ik voor hem gekocht had. 
“Och" , zei hij, “dat is allemaal aards, daar wil ik nu niet meer over praten”. 
Plotseling waren de banden geslaakt
Die ochtend was hij ruim een half uur in visionaire toestand geweest en had “onuitsprekelijk schone dingen in de hemel!” gezien, waar hij vol van was en telkens van vertelde. 
Hij onderbrak zich echter steeds, omdat hij niet kon begrijpen, dat hij weer  “teruggetuimeld was op aarde”, zoals hij het zelf uitdrukte.
Het was voor ons alles even vreemd, dit toeven op de grenzen van tijd en eeuwigheid.
“Zijn we dan niet in de hemel? 
…… Maar ik hoor duidelijk  de klok tikken”.


Toch bleef hij verzekerd in zijn geloof, want later op de dag zei hij: 
"Straks ga ik weer daarheen” 
En zo was het. In de vroege ochtend van de volgende dag is hij in slaap ontslapen. 
Zijn werk was gedaan. 
Althans hier beneden

De tekst, waarvan hij de vorige dag een fragment aanhaalde, las ik de andere ochtend in zijn geheel, bij het opstellen van de overlijdingsaankondiging, en het was alsof ik hem van verre hoorde spreken: 
Want als wij, toen wij vijanden waren, met God verzoend zijn door zijn door de dood Zijns Zoons, zullen wij, veel meer, nu wij verzoend zijn, behouden worden, doordat Hij leeft; en dát niet alleen, maar wij Christus, door wie wij nu verzoening ontvangen hebben.

Wie een overeenkomst wil vinden tussen zijn werk en zijn moeilijk leven, zal lang moeten zoeken, maar wel is het verband er met zijn geestelijk leven en de praktische kinderlijke eenvoud daarvan.
Ik citeer nog eens uit zijn brieven:
“O  wat is het heerlijk dat kleine goed te zien opgroeien. 
Alles is even lief aan die kleintjes. 
Als je geen kinderen hebt, dan weet je eigenlijk niet volledig wat het leven is en begrijp je niet, hoeveel je van je kinderen kunt houden. 
Wonderlijke leven. 
Gelijk zich een vader ontfermt over de kinderen.
Wat kun je zoiets nu begrijpen, als je zelf een kind hebt. 
Wat wordt zijn woord er  rijker door.
Tenminste zo  is het mij gegaan. 
En dan te bedenken, dat God Zijn eniggeboren Zoon niet gespaard heeft, maar  heeft laten doodmartelen aan ’t kruis voor zondaren, om ons een eeuwig leven te geven………..ja,  daar houdt alle denken op en zwijgen we in verstomde , sprakeloze  aanbidding”


Een ander citaat:
“Jij was vroeger ook een rare.
Als hij wat gedaan had, wat niet mocht, dan zei ik: 
"Ik zal het dan maar weer door de vingers zien".  

Maar jij bleef maar staan …….wachten …..en eindelijk zei je:
Nou, doe het dan!.....
Ik direct met mijn uitgespreide vijf vingers voor mijn gezicht. 
Klaar was het. 
Afgelopen. 
’t Was vergeven. 
Zo doet God ook. 
Nog duizend keer heerlijker”.
Evenzo is zijn werk, een getuigenis van verwondering en dankbaarheid aan de Schepper van de de schoonheid in de natuur, de Schenker van het leven. 
Zijn werk blijft volkomen in overeenstemming met zijn geestdiftige uitroep op zijn laatste middag, toen we aan tafel psalm 103 zouden lezen:
 “Ja, dat is mooi, loof den Here mijn ziel!”

J. POEDER
 te 's Gravenhage

((1) Pieter Marits is de titel van een bekend jongensboek over de Zuidafrikaanse oorlog)
















ZgaTo
         
                     WIE IS DE ILLUSTRATOR!!!!!

Foto's familie 001
Foto's familie 003

UIT DE NIEUWE ROTTERDAMSE COURANT



Het 69ste lustrum van de Groningse universitet

De oorsprong van de Groninger flankeurs

Tien dagen ze zijn ons tien eeuwen van glorie.
          Mr. H. A. Spandaw
Artikel Rotterdam 1
HET VAANDEL VAN DE GRONINGSE FLANKEURS
 
 
Geen zilveren gedenkbeker met metalen kruis noch een roemrijk flankeursvaandel zou het Groninger academiegebouw sieren, hadden de Belgen op die zwoele augustusavond van het jaar 1830 na de voorstelling van La Muette de Portici in de schouwburg te Brussel er niet de brui aan gegeven nog langer kostgangers te blijven in het vaderlands gezin.

Zij zetten het in de krant tegen de Koning en dat prikkelde de Noord Nederlanders zeer, aldus prof.dr.I.H. Gosses in zijn college op 30 september 1931 te Groningen over de historie der Groninger flankeurs. Toen Groningen de proclamatie van 5 oktober 1830 bereikte, waarin de Koningin het volk te wapen riep, meldden Groninger studenten zich direct als vrijwilliger aan. Weifelende ouders kregen elf oktober in de Groninger Courant een hart onder de riem van de hoogleraar in de godgeleerde prof. Dr. Joan Frederik van Oordt, geboren te Rotterdam. Hij trok in 1815 als Utrechts student ook uit met veertig vrijwilligers. Ze waren allen met de blos der gezondheid teruggekeerd en zeven hunner waren later hoogleraar geworden. Voor de studenten zelf deed een brief van de op aftreden staande rector magnificus, R. M. Nienhuis, de deur dicht: Hij had geen zonen aan te bieden, maar zou zelf nog gegaan zijn als ziekte hem niet verhinderde.
Op 24 oktober formeerde de Koning bij besluit de Compagnie der vrijwillige flankeurs uit de 117 studenten uit Groningen en de 18 uit Franeker die zich met twee uit Gent hadden opgegeven (twaalf Groningers, onder wie Jan Gouverneur alias Jan de Rijmer waren al weg met andere korpsen). De Compagnie mocht haar eigen onderofficieren en korporaals kiezen, De beide hoogleraren Van Oordt en de medicus W. Vrolijk werden 2de luitenant. Het feitelijke commandant lag in handen van kapitein Hylkama, later te Amsterdam vervangen door kapitein Van der Brugghen en 1ste luitenant Van Pallandt. Toegevoegd werden hoornblazers en instructeurs. De uitrusting was die van de gewone infanterist; naast een geweer kregen de studenten een sabel. De reden van Vindicat mochten op de sjako het korpswapen dragen. Op 8 november werd de Compagnie voor de feestelijk versierde soos in militair verband opgenomen.

Op een van ons niet meer aansprekende, nu verschaald hoogdravende wijze in dichtvorm werd de Compagnie uitgeluid door de hoogleraar in welsprekendheid Lulofs met een dramatisch: Keert roemrijk weer of keert nooit in Gruno's oude wallen, waarop namens een bloeijende maagdenschaar 92 Groninger jofferen, de studenten bij monde van mejuffrouw Guyot een vaandel werd aangeboden van oranje zij met gouden franjes. Aan de ene zijde het Koninklijke wapen met erboven Academie Groningana, en eronder Vrijwillige Flankeurs Kompagnie. Aan de andere zijde een fraai geborduurde W. omgeven door een eiken  en lauwerkrans. Op de ene tip van de strik uit groene zijde en zilver stond: Aan Gruno's Muzenzonen, op de andere: Gaat, overwint  en keert gelukkig.Op de stok prijkte een Minervabeeld.
Op die dag hielden de flankeurs nog een parade en zaten zij in de Martinikerk onder het gehoor van prof. Hofstede de Groot. Zij kregen van de dichter Spandaw een afscheidsstrijdlied mee en van de boekdrukkers een album met de namen in rood fluweel.
Vrijdagmorgen sloeg na het afscheid op de Grote Markt van de hooglerarenstoet het uur van vertrek. De flankeurs, uitgeleide gedaan door de achterblijvende studenten, scheepten zich in enkele schuiten in het Hoendiep. Op het roer van de eerste schuit werd het vaandel geplant, het zingen van het strijdlied was mager wegens veler beklemde dorst. De tocht via Franeker naar Harlingen en vandaar naar Amsterdam en Utrecht verliep door ontmoetingen met korpsbroeders nogal genoeglijk. Maar in Etten begon het kantonnementsleven als onderdeel van de eerste divisie in de reserve. De flankeurs kregen hun deel in vermoeiende marsen in regen en modder of schroeiende zon; ze doodden in afwachting van het uur van de slag hun tijd met geweerpoetsen, wachtkloppen, patrouillelopen, biefstuk bakken, brieven pennen naar huis (die terugkwamen gebruikten ze voor servet), tot in hun bivak op kerkhoven toe en ze vonden bovendien naar uit de brieven blijkt van de flankeur Tjalling Petrus Tresling, die door mejuffrouw N. Tonckens van het Universiteitsmuseum in de Groningse Volksalmanak van 1951 aan de vergetelheid werden ontrukt, de tijd om boeken op te doen en te lezen in dit land der domheid.

Vooral de brieven van Tresling, die zijn ouders voorrekent dat een flankeur toch wel zeven gulden per dag nodig heeft, geven echt een kijkje hoe het reilde en zeilde op deze veldtocht, die voor de Groninger flankeurs plotseling vastliep op een kale heuvel voor Leuven in het dorpje Gubbeek, in de brandende zon. Met aan alles gebreke en het land van belofte (Leuven) voor zich. Juist op het moment dat zij zich met onweerstaanbaar vuur in de strijd wilden werpen, was het met de tiendaagse gebeurd! De koning der Belgen, die met zijn gehele hoofdkwartier voor het grijpen lag, waarop de weg naar Brussel open zou liggen, kreeg, doordat Frankrijk en Engeland er een stokje voor staken, met de flankeurs niet meer van doen. Deze marcheerden weer terug en vormden nog een tijdlang de erewacht voor de Prinsen van Oranje met wie zij op familiaire voet vertoefden.

Zij waren nog even in het vuur geweest en hadden met de Belgen geschermutseld. Luit. Van Palland was door een kogel ter aarde geworpen. De kogel stuitte af op een knoopt van zijn jas. Enkele geweren waren verbrijzeld en flankeurs licht gewond toen de eigen artillerie hen bestookte met drie schoten uit blikken bussen. De flankeur Middendorp werd op een nacht die het meest van hun zenuwen vergde, waarin ze almaar met het geweer in de aanslag tussen de kie in dichte motregen op de Belgen hadden zitten wachten, door een sluipschutter  á bout portant in zijn kuit getroffen, toen hij een tak uit een bosje wilde breken. Daar is  later de nare legende uit voortgekomen dat deze flankeur uit een appelboom zou zijn gevallen.
De Koning zelf zwaaide de Compagnie bij de Compagnie bij de slotparade der divisie lof toe en daarop begon de triomfale terugtocht, van Arnhem af per rijtuig! Onder erebogen, met muziek en onder klokgelui trokken ze op de avond van 29 september Assen binnen.
Rotterdam 2

Glorierijk was de blijde incomste te Groningen de volgende dag. Ze werden met rijtuigen ingehaald, onderweg begroet door baron Rengers, de gouverneur der provincie, en curatoren, de achtergebleven studenten, die het oude vaandel van 1672 meevoerden, mr. H, O. Feith namens het stadsbestuur en prof. Seerp Gratama namens de academische senaat. Door een vlaggende stad marcheerden ze naar de Grote Markt, begroet door de senaat in vol ornaat en de Franeker hoogleraren. Het grote moment was daar toen de Groninger jofferen op de stoeptrappen van het stadhuis het door vaandrig Spandaw geheven vaandel omringden en er een krans aan hechtten na een daverend declamatoriums van prof. Lulofs, dat in alle hoeken van de markt te volgen was. In de tot lusthof herschapen binnenhof van de academie wachtte hun prof. Ten Brink nog met een Latijns lierzang. De dag daarop was het feest. De sociëteit was prachtig versierd en verlicht. De boekdrukkers strooiden kersverse feestliederen rond uit een achtkantige tempel op de markt. Prof. Hofstede de Groot hield voor de flankeurs een leerrede in de Martinikerk en het stadsbestuur bood hun een weids collation aan in het Concerthuis.
Op 19 oktober werd de flankeurs een grandioos feest bereid te Franeker, ook met een collation met wel honderd gasten.
Zij kregen naderhand nog een fraaie gedenkpenning van curatoren. Men ziet op een zijde daarvan de Nederlandse leeuw met het opschrift: Repulso hoste, vigil quiescit . Na het verjagen des vijands rust hij, maar wakend.

J. de Haan

(uit: NIEUWE ROTTERDAMSE COURANT, zaterdag 13 juni 1959)
(correspondent uit Groningen: Jan de Haan)

GESCHIKT VOOR VERFILMING!!!



                                                       
OPEN BRIEF
Geachte lezer,
Graag wend ik mij tot u met het verzoek te willen reageren op mijn opmerkingen of vragen:
In de loop van de voorbijgaande jaren heb ik regelmatig geschreven als hobby:
Ik verzamelde autobiografische notities:
Over mijn jeugd, mijn familie,mijn schooltijd, mijn vakanties, mijn studietijd (pedagogiek) en mijn leraarschap tot mijn pensioen met vooral bijdragen aan de schoolkrant,waar ik regelmatig voor schreef. 
Ik heb alles, dat ik schreef, opgeslagen in de computer en inmiddels heb ik ook werk geplaatst op het web-log.nl.
Graag zou ik een uitgever vinden die mijn werk wil uitgeven. Aan welke eisen moet mijn werk voldoen. 
Graag ontvang ik informatie over mogelijkheden die een uitgever mij wil en kan bieden. 
Welk werk en hoeveel werk wilt een uitgever ontvangen om te kunnen beoordelen.
Of is het misschien verstandig  mijn werk in eigen beheer uit te geven (op welke wijze?)
Mijn belangrijkste gegevens zijn:
Jan Thijs de Haan 
Geboren 7 mei l944
Vader Jan de Haan (journalist, schrijver kinderboeken)
Moeder  - Grietje Dragstra (huisvrouw)
Geboren - Sneek
Opgegroeid - Groningen
School - Eerste christelijke HBS (17 jaar) - Kweekschool met de bijbel (21jaar)
Studie - Pedagiek in Groningen (kandidaats) (25 jaar)
Leraar - MAVO in Noordhorn en Lauwerscollege in Grijpskerk (Nederlands, maatschappijleer) (van 25 tot 62)
Pensioen - sinds 62 jaar
Bezigheden momenteel - Schilderen, tuinieren en
schrijven.
Graag wil ik schrijven het scenario van mijn vaders boek 't Geweld onttogen (uitgever Jan Haan - Groningen). 
Het is altijd mijn wens geweest, dat dit boek zal worden verfilmd. 
Het boek maakte op mij de indruk te zijn geschreven met het doel op den duur te worden verfilmd.
Ik liet als leraar in klas 1 klassikaal lezen van  Jan Terlouws boek Oorlogswinter. 
Ik vond dat minstens even goed als dat van mijn vader 't Geweld onttogen.
Het verhaal van Jan Terlouw werd verfilmd  onlangs
(eerder ook verfilmd als T.V.-serie) 
Volgens mij heeft mijn vader toch wel  recht op een verfilming van zijn 't Geweld onttogen. 
Aanvankelijk heeft hij het geschreven in het Fries: FEN BÜGJEN FRJEMD (Utjowerij Koster- Snits-1945)
Het boek werd later vertaald in het Nederlands.
Misschien heeft de Frysk Omrop belangstelling bij verfilming (met Nederlandse ondertiteling)
Misschien is er een Friese cineast die zijn tanden er in wil zetten.
Jan de Haan werd op 14 maart 1904 te Boornbergum (Fr.) geboren. 
Na de lagere school kwam hij in de tweede klas de Christelijke Kweekschool te Sneek terecht, die hij in 1924 als jong onderwijzer verliet. 
Bij gebrek aan werk solliciteerde hij bij de redactie van het Friesch Dagblad in Sneek. 
Op een briefkaart werd hem meegedeeld dat hij kon komen: tegen een salaris van f 10,- per week. 
Op het kantoor in Sneek werd hij bij gebrek aan mankracht meteen voor de volle honderd procent ingezet.
In 1941 hield het Friesch Dagblad op te verschijnen: de redactie en de directie wilden zich niet neerleggen bij de bevelen van de Duitse Presserat. Baas de Haan zat dientengevolge zonder werk en ging er dus een boekhouddiploma bijhalen. 
Die studie samen met administratief werk voor de Gereformeerde Kerk waarvan hij lid was liet hem toch nog vrije tijd. 
In deze donkere oorlogsjaren was het dat zijn eerste historische kinderboeken ontstonden: 
Fen bügjen frjemd. 
De tendens van het manuscript was wel zo opstandig, dat zijn vrouw het veiligheidshalve verborg in de bergruimte onder haar naaimachine. Na de oorlog werd het boek uitgegeven. 
Later volgden nog meer titels in hetzelfde genre.
Na de oorlog vertrok Jan de Haan naar Groningen, waar uitgever Jan Haan De Nieuwe Provinciale Groninger Courant opnieuw deed verschijnen.
Daar werd Jan de Haan  tot Baas de Haan. Vijfentwintig jaar lief en leed heeft hij met deze krant gedeeld, eerst als chef-redacteur later als hoofdredacteur, totdat de krant in 1965 opging in het dagblad Trouw.
Tot  1972 is Baas de Haan chef-redacteur van de Noord - editie van Trouw.
Jan de Haan stierf op 18 augustus 1978  in Groningen
http://www.achterderug.nl/ 
(zondagsschoolboekjes- kies auteur uit lijst- jan de haan)
Kunt u mij helpen aan adviezen, tips, ingewijde personen , raadgevers, geïnteresseerde uitgevers en regisseurs, cineasten, enz.
Verbreid mijn Open brief
Hoogachtend
Jan Thijs de Haan
Langestraat 3
PE 9804
Noordhorn
E- mail: janthijsdehaan@gmail.com
N.B.
Wat is er sinds deze tijd nog gebeurd? 
Een oud- leerling hielp mij aan het e-mailadres van de filmmaker Steven de Jong. 
Hij maakte net in die tijd De hel van 63. 
Hij beloofde mij, dat zodra hij deze film klaar had, hij het boek 't Geweld onttogen zou lezen. 
Ik probeerde voor hem het boek op het internet te zetten en elke week gaf ik hem een hoofdstuk van 't Geweld onttogen.
Bij de presentatie van De hel van 63 meldde hij ,dat hij de komende jaren nog vijf films kon maken, waarvan de eerstkomende was  een film over het leven van Mary Servaas. 
Sinds die tijd heb ik niets meer gehoord van Steven de Jong. 
Ik zag op de T.V. Steven de Jongs Snuf de hond en de Scheepsjongen van de Bontekoe. 
Inderdaad ik nam hem serieus als een kandidaat om 't Geweld onttogen te verfilmen. 
Tenslotte heeft mijn vader gewerkt als journalist met de schrijver Jongeling bij de zelfde krant De nieuwe  Provinciale Groninger Courant van Jan Haan, de uitgever. 
Jongeling vertrok naar de Tweede Kamer. 
Beide schrijvers vond ik erg goed. 
Met andere woorden, als Steven de Jong de boeken van Jongeling uitkoos om te verfilmen, dan kunnen de boeken van Jan de Haan datzelfde lot ondergaan. Soms denk ik wel eens, dat de tijd nog niet rijp is. 
Steven de Jong moet misschien meer ervaring hebben, voordat hij begint met de verfilming  van 't Geweld onttogen.
Op de eerste kerstdag 2010 zag ik voor het eerst de film Oorlogswinter. 
Als leraar (Nederlands) las ik met de eerste klas het boek van Terlouw Oorlogswinter, met veel plezier. 
Dus ik vond een verfilming terecht.
Bovendien vond Terlouw zelf de verfilming goed. 
Dus ik dacht, dat zit wel snor. 
Als deze film op de tv komt, dan bekijk ik hem wel even.
Wat een afknapper. 
Voor wie het boek goed heeft gelezen, ontdekt allemaal veranderingen, die over komen als een verkrachting. 
Wat mis ik in de film?:
Joghem op het dak, die gered wordt door een Duitse soldaat.
De reactie van Michiel en Erica op de terechtstelling van hun vader.
De twee joden Kleerkoper, die verzeild raken bij de familie van Beusekom die door Michiel over de Ijssel als vrouwen verkleed. worden overgezet met de tilbury van de freule.
De terechtstelling van de freule door de Duitsers.
De terechtstelling van oom Ben van Hierden in een eenmansputje.
Zo kan ik verder gaan.
Welke veranderingen van het boek ten behoeve voor de film:
Hoe komt de piloot Jack over de Ijssel : 
Als een aap slingert hij onder de brug. 
Niemand ontdekt het, maar wie staat aan de kant met een verrekijker en ziet de hele goocheltruc van piloot Jack: MICHIEL
Michiel moet regelmatig naar het bos om Jack eten te brengen en verzorgen.
Je ziet Michiel steeds maar op de fiets. 
Dat werd wat eentonig. 
Dan heeft de regisseur de geniale inval. 
Hij kan ook wel te paard gaan, zo af en toe.
Dus ik dacht als kijker:
Michiel zal wel ook te paard gaan om zijn vader te redden van de Duitsers, die op het punt staan hem terecht te stellen. 
(maar dat is de wens van de kijker zelf, want alles kon in deze film)
De gedachte die bij me direct boven komt is,  dat Terlouw het prima vindt, dat de film het niveau van zijn boek echt niet bij lange na haalt. 
Maar is het diep in zijn hart geen goede verfilming???
Welnu, zal dat ook gebeuren met het boek van mijn vader 't Geweld onttogen. Heb ik recht op een goede verfilming?????
Ja, maar is er een goede filmmaker, die wel tijd heeft????

Uit: DAGBLAD VAN HET NOORDEN
KONING VAN KATOREN:
Het boek was toch weer beter.
In de nacht dat Stach wordt geboren niet alleen zijn ouders, maar ook de geliefde koning van het fantasieland Kator.
Na de enerverend in beeld gebrachte proloog zien we hoe de jongen opgroeit bij zijn oom.
De troon blijft ondertussen leeg omdat autoritaire ministers de macht grijpen.
Als hij zeventien jaar oud is, meldt Stach zich bij een loket"hij wil weten hij koning mpet worden.
Na enkele anusante schermutselingen met de bureaucratie melden de ministers hem dat de trppn voor hem is, als hij een reeks moeilijke opdrachten uitvoert.
In het bekroonde boek van Koning van Katoren van Jan Terlouws kreeg Stach zeven beproevingen voorgelgd door een wrede bonusopdracht.
In de verfilming van Ben Sombogaart (Kruistocht in Spijkerbroek) heeft Stach nog maar vijf klussen te klaren.......
Vooral de ontknoping van iedere episode komt nogal uit de lucht vallen.........
Dat zou minder erg zijn als de kijker maar kon meeleven met de avonturen van Stach.
Zoals in het boek wel nadrukkelijk het geval is.
Hoe prachtig de film er ook uitziet, op alle andere fronten is Terlouws boek superieur.
(Frits de Jong)
KONING VAN KATOREN







EEN BOEK DAT HET VERFILMEN WAARD IS
De film van het boek OORLOGSWINTER van Jan Terlouw werd een kassucces.
Het kinderboek "T GEWELD ONTTOGEN van Jan de Haan (1904- 1978) over de Tweede Wereldoorlog in het Noorden is in potentie een even grote kaskraker.
Vindt Jan Thijs de Haan uit Noordhorn, zoon van de schrijver. 
Zijn echtgenote Heleen legt uit.

(Door Maaike Trimbach)

Wie was Jan de Haan?

"Mijn schoonvader was journalist en kinderboekenschrijver.
Hij was eigenlijk onderwijzer, maar solliciteerde bij het FRIESCH DAGBLAD.
Dat stopte in 1941 onder de vezetting.
Mijn schoonvader stak zijn tijd vervolgens aan een studie boekhouden en de gereformeerde kerk.
Daarnaast schreef hij het historische kinderboek "FEN BÛGJEN FRJEMD" ,dat later in het Nederlands is vertaald als "T GEWELD ONTTOGEN".

En dat boek ging over de oorlog?
"Ja. 
Er was in het manuscript zoveel verzet tegen de nazi's verwerkt, dat mijn schoonmoeder het veiliger vond het te verstoppen in de bergruimte onder haar naaimachine. 
Na de oorlog is het pas uitgegeven".

Maar niet in Friesland.
"Eerst wel, door Uitgeverij Koster in Sneek.
Later verhuisden mijn schoonouders naar Groningen.
Jan Haan- zonder 'de'-bracht daar De Nieuwe Provinciale Groninger Courant uit.
Mijn schoonvader werd daar chef'redacteuren nadat de krant opging in dagblad TROUW was hij van 1965 tot 1972 chef van de noord- editie van TROUW.
In die tijd heeft Haan waarschijnlijk ook de Nederlandse van "'t Geweld onttogen" uitgebracht".

En daarom is uw man op zoek naar twee dingen.
"Ja, hij is gepensioneerd onderwijzer en las klassikaal Oorlogswinter.
Hij vindt het terecht, dat het verfilmd is en denkt, dat het boek van zijn vader van zijn vader van hetzelfde niveau is.
Het liefst schrijft hij zelf het scenario.
Hij zoekt mensen die hem wel adviseren en wil weten hoe het zit met de rechten van het boek.
De uitgeverij Koster in Sneek en uitgeverij Jan Haan bestaan niet meer.
We weten niet nu de rechten heeft".

Raadgevers, regisseurs, cineasten, scenarioschrijvers en anderen die belangstelling hebben voor "'t Geweld Onttogen" kunnen mailen naar janthijsdehaan@gmail.com
ook wie meer weet over de rechten van het boek kan een mail sturen.
JAN FOLKERTS DE HAAN