dinsdag 7 februari 2012

FRIESCH DAGBLAD zaterdag 15 januari 1966

NSB- ERS ZETTEN  RODE EN BLAUWE STREPEN STREPEN

Vrije woord mocht niet meer klinken

De NSB- ers, die het Friesch Dagblad onder ogen, waren fel gebeten op de hoofdredacteur en wezen de bezettingsautoriteten er op, hoeveel schade diens artikelen deden aan de nazi- zaak. 
Erger was nog, dat een NSB- er in Leeuwarden elke dag voor de Duitsers in het Friesch Dagblad met rode en blauwe strepen aangaf, wat de Duitse zaak afbreuk deed.
Een Duitser bracht Algra hiervan op de hoogte. 
Hij heette Reinberger, was leraar aan de MTS in Leeuwarden en een verklaard tegenstander van Hitler en zijn bende, al camoufleerde hij dat tegenover de nazi's, zoals wij al eerder schreven. 
In een stil hoekje van het Fries Museum vertelde hij Algra, dat hij af en toe ook als tolk gebruikt werd en dat deze artikelen met hem waren besproken. 
Het werd gevaarlijk!
Algra kreeg meer waarschuwingen. 
De voorzitter van de commissie van toezicht, burgemeester B. Anema van Sexbierum, zei eens: 
Man, denk toch ook om uw vrouw en kinderen. 
Het antwoord luidde: 
U begint verkeerd. 
U moet zeggen: 
Wij zullen wel om uw vrouw en kinderen denken. als er iets mis gaat.
De hoofdredacteur was vast besloten zich aan het program te houden dat hij op maandag 17 juni  aan het bestuur ontvouwd had. 
Volgens de notulen zei hij: 
Taak en roeping moet(en) met getrouwheid worden volbracht en het contact met de lezers moet behouden blijven. 
Zij moeten bemoediging en houvast hebben aan hetgeen zij lezen. 
De verantwoordelijkheid daarvoor berust bij de redacteur. 
De heer Algra wil brengen : 
1e De Schrift en de Psalmen,
2e de lezers binden aan de historie en inzonderheid aan de historie van het Oranjehuis, 
3e de lezers op de hoogte stellen van de werkelijke situatie en er veel is, dat met dezelfde intensiteit moet doorgaan. 
Er moet naast de nodige voorzichtigheid ook een betoning zijn van moed.
CONFLICT
Die moed heeft hij opgebracht. Ondanks alle waarschuwingen en dreigingen ging Algra voort met de bestrijding van de nazi's en versterking van de geestelijke weerbaarheid van ons volk. 
Zo schreef hij tegen de invoering van het Duits op de lagere school. 
Fel en onverschrokken was hij vooral, wanneer het om pricipieel belangrijke onderwerpen ging, zoals de winterhulp en hen die poogden door deze instelling het diaconale werk te treffen. 
Een artikel daartegen eindigde hij met de zin: 
De politiek van het staatsalvermogen zal altijd een harde dobber hebben tegen een vrij volk. Alleen iemand die zich geborgen wist in Gods hand, kon in 1941 nog  getuigenis publiceren.
Het was voor iedereen duidelijk, dat een conflict met de Duitsers niet kon uitblijven. 
Ook Algra zelf koesterde op dit punt geen illusies, maar het was toch min of meer geen verrassing voor hem, toen hij merkte welk artikel de druppel vormde die de emmer deed overlopen.
Dat artikel handelde over De taak der Friese beweging.  
Het driemanschap uit die beweging was uit elkaar gegaan. 
Twee leden hadden zich bereid verklaard het werk voort te zetten, nu zonder de naziman. Algra sprak daarover zijn blijdschap uit, maar wees er op dat nu geen sporen van opportunisme meer mochten voorkomen. 
Hij toonde uit Der Stxc3xbcrmer aan, dat Mussert voor eb na de bezetting ongelijk sprak over vraagstukken als jodendom en vrijmetselarij. 
Ook in de Friese beweging waren wel figuren van Hier sta ik, ik kan ook anders.
Wij denken er over, daarvan met citaten eens een merkwaardig voorbeeld te geven. Zulke opportunisten moeten echter uit de beweging gezwaveld worden. Moarnpraet en jounpraet moat strike. Het is niet onwaarschijnlijk, dat nazi -Friezen, die toen heel erg in hun wiek geschoten waren en hierover ook contact opnamen met de Duitsers en hun handlangers, toen ook dit artikel gesignaleerd en afgekraakt hebben. Er zijn duidelijke aanwijzingen dat Weidlich niet op eigen initiatie handelde, toen hij Algra ter verantwoording riep.
INTIMIDATIE
Weidlich was woedend en begon meteen te intimideren. Algra zaaide onrust in Friesland en moest daarom opgesloten worden, luidde de verwelkoming. Deze wist dat dit wel eens waar kon worden, maar kwam niet onder de indruk. Kijk zei hij, dat vind ik nou niet sportief van een sportleraar. Ik wordt hier ter verantwoording geroepen, maar krijg niet eens gelegenheid mij te verdedigen. En als u mij opsluit, dan ontstaat er nieuwe onrust in Friesland. Deze nuchtere reactie brak de spanning. Weidlich kon dit tot zekere hoogte wel waarderen; waarschijnlijk voelde hij wel, dat hier een sterkere persoonlijkheid tegenover hem zat. Hij presteerde het zelfs om een lachje op zijn gezicht te brengen en werd meteen milder. Er moet iets gebeuren, zei hij. Al enkele keren heb in en uit Den Haag het verwijt gekregen, dat ik u maar liet schrijven. U bent een gladde vogel. Maar wij weten heel goed dat wat u over de Assyriërs en de Fransen schrijft, voor ons bedoeld is. Daarom mag u alleen aan de krant verbonden blijven, als u geen letter meer over de politiek schrijft.
Maar dat is juist mijn taak, was het weerwoord, daar ben ik voor aangesteld. Maar wat gebeurt er , als ik toch doorga? Dan wordt de krant verboden, zei Weidlich. Dan zal ik de zaak aan het bestuur voorleggen, besloot Algra. Ondertussen was het hoofdartikel ook ter sprake gekomen. Ik mag toch wel Der Stcrmer citeren, meende Algra. Aber das ist kein anständiges Blatt, zei Weidlich. Ik zou mij schamen als mijn vrouw het las!
Bij het afscheid vond Weidlich het spijtig, dat hij en Algra geen vrienden konden worden, nu zij elkaar eindelijk voor het eerst ontmoette. Nee, zei Algra, dat gaat niet, zolang jullie ons de vrijheid ontnemen. Misschien kunnen we dan scheiden als eerlijke vijanden, zei Weidlich en stak de hand uit.Toe dan maar, zei Algra
ONTSLAG
Algra bood het bestuur zijn ontslag aan en bracht verslag uit van zijn ervaringen. Sommigen meenden dat het toen de tijd was, de krant op te heffen. Anderen wilden het nog eens proberen en in die geest werd besloten . J. de Haan zou de hoofdredactie op zich nemen en een aantal dominees werd gevraagd af en toe een meditatie te schrijven. Maandag 20 januari verscheen het FD zonder hoofdartikel. De donderdag daarna werd meegedeeld dat Algra zijn hoofdredacteurschap had neergelegd,
Zijn opvolger bewees uit hetzelfde hout gesneden te zijn als Algra.. Diezelfde dag schreef hij zijn eerste hoofdartikel, dat tevens het laatste zou zijn. De betekenisvolle titel luidde: Voorttrekken. Dat was tevens het parool dat hij doorgaf, Daarin vertelde hij, dat een spreker eens gezegd had dat de vissen, juist wanneer het tegen de stroom ingeslagen, kuit schieten. Dan vermenigvuldigt de soort. De rest van het artikel was navenant. Vertrouwend op Gods genade wekte De Haan op, Christus getrouwe getuigen te zijn en te blijven, wat er verder ook gebeuren mocht.
De volgende dag belde Weidlich op: Naar Leeuwarden komen, de directeur en de nieuwe hoofdredacteur. Toen ze daar die zaterdag aankwamen moest eerst De Haan binnenkomen. Weidlich sloeg met de vuist op de tafel: Sie werden verhaftet. Was me dat een manier, zo'n hetze tegen Duitsland. Hij zou de Polizei bellen en deed alsof, onderwijl De Haan observerend,
Deze werd onder de ernst van de bedreiging verbazend rustig. Weidlich vroeg of Algra dat artikel geïnspireerd had en of dat kuit schieten een recente uitlating van Algra was. Naar waarheid antwoordde De Haan ontkennend. Hij protesteerde heftig tegen allerlei beschuldigingen. Maar Weidlich zei: Ik ben zelf journalist, ik ken die streken wel.
Daarop moest directeur Krommendijk binnen komen en die van hetzelfde laken een pak. Toen vroeg De Haan of het FD nog vrijelijk Gods Woord mocht uitdragen bij de lezers. Gods Woord, hoonde Weidlich, jullie calvinisten menen dat in pacht te hebben. Wij zijn ook christenen, maar lopen er niet zo mee te koop.
Op dat moment kwam de verlossende wending. De huistelefoon ging. Weidlich had een onvergeeflijke fout gemaakt en Ross laten wachten, Hij verontschuldigde zich. Toen ging de deur open, voor een nieuwe aanmaning. Weidlich raakte enigszins van de kook, greep jas en tas, riep:  Auf Wiedersehen en verdween. De beide mannen natuurlijk ook! Zij spraken af, voorlopig geen hoofdartikelen meer te publiceren, alleen meditaties.
VERBOND
Inmiddels stapelden zich nieuwe wolken op. De nazi's hadden een Verbond van Journalisten opgericht. Hoewel het met een handjevol leden begon, pretendeerde het de eenheid te vertegenwoordigen. De andere journalisten gingen zich erover beraden. Slechts enkelen zeiden principieel nee. De rest weifelde en kwam niet tot een besluit. Enkelen sloten zich in het geheim aan.
Allengs kwamen er geruchten: Er zou straks dwang toegepast worden en wie zich voor een bepaalde datum niet aansloot, zou zijn werk moeten opgeven. De stroom van hen, die de persvrijheid inruilden tegen een Ausweis, werd hoe langer hoe breder. Zij maakten het mogelijk, dat toen de beslissende stap inderdaad gezet kon worden, Er werd een persverordening aangekondigd en alleen leden van het nieuwe verbond mochten nog in de kranten schrijven na een bepaalde datum.
Directeuren van bladen, beducht de belangen van de aandeelhouders te krenken, deelden de journalisten mee, dat zij ontslagen zouden worden als straks de nieuwe verordening van kracht werd. De journalisten van de christelijke pers overlegden ook, maar een besluit werd niet genomen. De meesten lieten zich gelijkschakelen.
Niet alzo die welke bij het FD werkten. Zij waren het er over eens, dat de verordening de kranten en de journalisten uitleverden aan het nationaal- socialisme. Zij zouden door mee te doen, hun hoofden in een strop steken of werktuigen moeten worden van de nazi- leer. Dat nooit, zeiden zij, alles liever dan dat.
CONSEQUENT
Jan de Haan, Bouke de Jong en Haring van der Goot deelden het bestuur bij monde van eerstgenoemde mede, dat zij elke consequentie van dit standpunt zouden aanvaarden, ook de brodeloosheid. De meerderheid van het bestuur was toen van oordeel, dat het FD dan niet meer mocht verschijnen. Een enkeling maakte eerst nog bezwaar naar tenslotte werd met algemene stemmen het besluit genomen om de uitgifte te staken. Voorzitter Okma zou dit de Duitsers mededeelden.
Het besluit werd 12 mei genomen. Maandag 19 mei , de dag waarop de journalisten uiterlijk lid moesten zijn van het Verbond, verscheen het laatste nummer. Algra feliciteerde de journalisten met hun besluit en de lezers bleven niet achter met hun waardering. Enkele dagen later kreeg De Haan het bevel zich 's middags bij Weidlich te melden. Ook de voorzitter van het bestuur was ontboden. Er waren heftige dreigementen voor de telefoon geweest, ingeval de mannen zouden wegblijven. Het gerucht ging als een lopend vuurtje door Sneek en talloos vele waren de blijken van meeleven die De Haan ontving. Ds. Veldkamp stuurde een kalenderblaadje met een bemoedigende tekst.
De beide mannen namen rustig afscheid va hun gezin en bevalen zich in Gods bescherming. Toen De Haan aankwam, was mr. Okma er al. Weidslich kon niet begrijpen, waarom de Friezen geen lid wilden worden van het verbond. Dan is het doel van ons blad niet meer te bereiken en heeft het geen zin en geen bestaansrecht meer, was het antwoord. De heren lieten niet na er op te wijzen dat de journalisten nog vrij waren om te kiezen. Zij verklaarden niet te willen capituleren voor geestelijke dwang.
Het scheen haast, alsof Weidlich toch wel een zekere waardering had voor dit principiële standpunt. Na een tijd zei hij zijn bezoekers, dat zij buiten de kamer moesten wachten, hij zou met Den Haag bellen. Op de gang bespraken Okma en De Haan wat zij zouden doen, als Weidlich hen voor de keus zou stellen: doorgaan, of de gevangenis in. Ze beloofden elkaar op handslag niet toe te geven, wat er ook mocht gebeuren. Toen ging de deur open en een verheugde Weidlich riep hen toe: Het is goed, u wordt niet gevangen genomen. Hij zei het, alsof hij het onbegrijpelijk vond dat Den Haag zo clement kon zijn. Toen vroeg hij: Wat had u verwacht? Okma liet hem de tandenborstel zien, die hij voor alle zekerheid had meegenomen. Ja maar, zei Weidlich, wij zijn geen barberen. U had zeker eerst nog een koffer mogen pakken! Samen met de directeur zorgde het bestuur dat niemand van het personeel financiële schade leek. Er werden inzamelingen gehouden en zonder morren stak de NV De Motor zich in schulden, die gelukkig na de oorlog afbetaald konden worden.
GIJZELAAR
Voor Algra had dit alles nog een bitter staartje. Hij werd ingesloten als gijzelaar en terwijl de een na de ander vrij kwam, hielde ze hem vast. 
Zijn lot werd enorm verzwaard, door de publicatie van Der Zehnte Mal, een vertaling van Friese gedichten van R. P. Sybesma door Willy Krogmann, met medewerking van S.J. van der Molen. In een noot wordt Algra daarin geschilderd als een man, die zich in zijn artikelen telkens tegen der Zeit verzette en soms op achterbakse wijze probeerde Friese geschriften opnieuw uitgegeven te krijgen, die de Oranjes verheerlijkten en de bevrijding van de Fransen schilderde.
Toen kreeg Weidlich opdracht Algra's ergste artikelen te laten vertalen. Deze belastte Reinberger daarmee, maar deze stelde dit al maar uit. Tenslotte vroeg hij een vriend als getuige en verbrandde hij all bewijsmateriaal tegen Algra. Tegen de Duitsers zei hij, dat zijn vrouw tijdens de schoonmaak, bij vergissing alles opgeruimd had.
Herfst  klaagde mevrouw Algra haar nood eens aan Mevr. Quarles van Uffort  Numa. Deze Friezinne scheen bevriend met de Duitsers, maar speelde haar eigen spel. Fraai redde zij de show, toen Ross haar vertelde dat hij zou optreden tegen alle Friese publicaties, omdat daarin de Duitsers voor poepen werden gescholden. Wie dat zegt, kent het Fries niet, antwoordde zij gevat. Dat is geen scheldwoord, maar toont iets van bewondering. Als een Fries zegt: het is een poepetoer, bedoelt hij dat het een moeilijk karwei is, dat eigenlijk alleen een Duitser het kan opknappen. Ross liet zich overtuigen. 
Mevrouw Algra kreeg van haar de raad, met haar aanvallig dochtertje naar Ross te gaan. Het kind bracht hem in een milde stemming, maar, zei hij, uw man kan niet vrij, want er is een heel dik dossier tegen hem. Hij was wel zo vriendelijk om even te bellen, teneinde het haar te tonen.
Toen het kwam, bleek het leeg! De list van Reinberger had succes gehad. Ross schrok er zelf van, maar niets bleek te achterhalen. Met de kerstdagen was Algra vrij. En hij bleef het, ook al werd hij medewerker aan het ondergrondse Trouw.

JAN FOLKERTS DE HAAN

SCHRIJVER JAN DE HAAN EN ZIJN ILLUSTRATOREN


Heinkray
HEIN AUKE KRAY
Hein kray 
HEIN AUKE KRAY
't Geweld onttogen
De torenklok zweeg
Een schip in de dorpsvaart
Tekening schookrant
Gewont1
Geont
DetoZwe
EenShiDo
Heinkray
                                     HEIN AUKE KRAY


                      ASSEN 19- 4- 1901  ASSEN 22- 3  1995

Hij was een leerling van Jean Krans en Eduard Houbolt (1922- '23). Studeerde medicijnen in Groningen (1923- 1929), maar rondde de studie niet af, Hij schilderde, aquarelleerde, illustreerde en ontwierp een tekenmethode voor het onderwijs.
Hij was getrouwd met Cateau Sijsma, die onder het pseudoniem To van Thiel o.a. zondagsschoolboekjes schreef
In 1923 begon hij bijdragen aan politieke Cartoons van kranten xe2x80x9cDe Houten Pomp en De Standaard.

Kerstverhaal 


2 kerstverhaal 
 
Hp1 
 
  
  
Hp2 
 
Hp3 
 Hij maakte zijn debuut als een komisch artiest in 1930, toen zijn strips Per Vliegmachine de Wereld Rond ( geschreven door Joustra) werd gepubliceerd in kranten De nieuwe Provinciale Courant en De Nieuwe Drentsche Courant.
Voor deze creëerde hij een totaal van negen komische strips, zoals Pikkie en Goudglansje (1936), Baas Blaas, de Tielse kruidenier (1938- '40). Davina's Eekhoorntje (1946), Koos de Fantast (1951). Deze vier titels waren geschreven door Hein Krays vrouw, To van Tiel.
Andere  komische strips door Hein Kray, verschenen in De Standaard waren Pietje en Wietje, Met Pippie Tater en Simpie Goochem op stap(1923- 33), geschreven door Ad Goede, De Broertjes Brand (1936, geschreven door A. C. Biemond) en Vakantie van Kees Knip (1940), geschreven door Nel van Vlis)
  
Kray_hein_1936 
 
  
Kray_hein_brand 
  
Kray_hein_detail 
 
  
Kray_hein_pietjewietje
Kwiebus Kwas, geschreven door Kray vrouw, verschenen in Het Rotterdammer Kwartet, vier lokale kranten, in 1939.
Hein Kray illustreerde ook verschillende kinderboeken en was  van de stichters van de artiestengroep: De Drentsche schilders, die bestond tot 1953.

Informatie ontleend aan:
http://www.achterderug.nl
lambiek.net/artists/k/kray hein.htm

Dehopo
MENNO VAN MEETEREN BROUWER
(Zwolle 1882 - Rijswijk 1974)
* Schilder (Portretten en Indische landschappen)
* Illustrator kinderboeken, schoolplaten en romans
* Politiek tekenaar
* Ontwerpen van affiches, reclame en toneeldecors

OPLEIDING
* Haagse Tekenacadenie
* Kunstnijverheidsschool te Haarlem
* Rijks academie van Beeldende Kunsten te Amsterdam (1904 - 1907)
Hij verblijft van 1910 - 1922 in  Nederands - Indie

Bronnen:
Richard van Schoonderwoerd
Menno van Meeteren Brouwer (1882 - 1974) in Boekenpost, juli/ augustus 2007
MennoVanMeeteren2

MennoVan Meeteren
MennoVanMeeteren1

MennoVanMeeteren3
MennoVanMeeteren4
MennoVanMeeteren5
MennoVanMeeteren6
MennoVanMeeteren8
Menno

 Fw3425 

                                                       HENK POEDER
_KvanV 
Poeder1
Poeder2



Hpoeder

HENK POEDER 
IN MEMORIAM
(20 april 1897- 9 december 1958)

"Ga je vanmiddag mee in de roeiboot naar Ganzediep?”
Deze vraag heb ik vaak van mijn vader gehoord, op zonnige zomerden in het bleekgetinte herfstseizoendagen. 
En dan zwierven wij de rivier op, over de wijdte van het water onder een Hollandse wolkenhemel – op de achtergrond het vergrijzend silhouet van de stad met haar brug en karakteristieke torens. 
Het verwijderend stadsrumoer in de verte werd doorklonken met het zacht geklots van het water tegen de boeg, totdat we alleen  dit nog hoorden en her ruisen van de wind in het riet. Zo werd de sfeer zwanger, waaruit schilderijen  geboren werden.
Dit is een greep uit de tweede gelukkige periode van zijn leven,  toen de zomers altijd zonnig schenen.

De eerste gelukkige periode was zijn jeugd. 
Dikwijls zei hij: 
“Je jeugd, dat is de mooiste tijd van je leven, als je nog onbezorgd met je vader kunt wandelen”
Talloze avonturen heeft hij ons over zijn jonge  jaren verteld.  
Opgevoed in een klein Drents gezin, waar men het omtrent de eeuwwisseling niet breed had,   was hij er al  vroeg mee bekend, dat een dubbeltje verscheidene malen werd omgekeerd  vóór het uitgegeven werd. 
Dat betekende ook, dat betekende ook, dat de ouders  aan de wens van hun zoon om schilder te worden slechts twijfelachtige waarde toekenden. 
Zij wisten heel goed, dat voor de  bevrediging  van  de levens behoeften een prozaïscher beroep betere kansen gaf.
De verschijning in Assen van een Franse schilder, die als Lamech twee vrouwen had, bracht de schilderkust in de calvinistische ogen zijn der ouders nagenoeg in discrediet. 
Evenwel kwamen zij hem in zover aan zijn verlangen  tegemoet, dat hij knechtje mocht worden bij een huis- en decoratieschilder, waar hij een kwartje in de week verdiende.
Van dit kwartje per week mocht hij zelf een stuiver houden. 
Hiervan kocht hij telkens voor een halve stuiver zijn eerste olieverven en penselen. Het andere materiaal vervaardigde hij zelf. 
Een palet sneed hij uit een dunne plank en een paletmes maakte hij door een afgedankt dik broodmes zolang dagen dagen achtereen op een slijpsteen te slijpen, dat het buigzaam was en zijn ene wijsvinger tengevolge van het voortdurend krampachtig drukken nog een week helemaal krom stond. 
Een van de waslijn op zolder gehaalde schort van zijn zuster werd verknipt en op een houten raam gespannen; zo verkreeg hij zijn eerste ”doek”. 
De rest van de nog bijna nieuw schort werd zorgvuldig weggedaan, en hij heeft ons vaak vermaakt door de verdwaasde gesprekken na te doen (hij kon meesterlijk imiteren) tussen zijn moeder en zuster, die maar niet maar niet konden begrijpen waar dat ding toch gebleven kon zijn. 
Hij heeft het ze nooit verteld, en tenzij zijn zuster het op dit moment leest, weet ze het nu nog niet.

Zo werden de eerste moeizame schreden op het pad der kunst gezet.
Naderhand kreeg hij enige leiding van de Asser schilder Louis Krans van Roesing en van de Belg Van den Drieche.
Dit alles in zijn vrije tijd wel te verstaan, want daarnaast moest hij aan het voor hem prozaïsche productieproces van het evonomich leven deelnemen.
Zo is hij een korte tijd jongmaatje geweest bij een huisschilder, slechts enige weken. In Assen werd toen toen een schilderijententoonstelling gehouden, echter op een zaterdag.
Nu kende men in die tijd nog niet algemeen de vrije zaterdagmiddag. Zo gebeurde het dat de patroon hem ’s maandagsnorgens vroeg, waar hij die zaterdagmiddag geweest was.
“Op de tentoonstelling”, was het laconieke antwoord.
“Dus jòuw werk gaat vóór mijn werk? vroeg de baas verder.
Hart grondig kwam er toen uit:
“Ja!
Mijn werk gaat voor" ,waarop de baas reageerde met:
"Donder dan meteen maar op!”
Een andere keer was hij winkelbediende annex loopjongen in een kruidenierszaakje, waar hij stroop moest afwegen of spek snijden.
Alleen bij het etaleren kon hij zijn  artistieke neiging  nog een beetje uitleven.
Eenmaal had hij met verschillende gekleurde soorten vogelzaad op een stuk karton een enorme haan en een kip gemaakt in de etalage.
De vrouw van de eigenaar riep toen ze het zag verbaasd uit:
“Maar Hendrik, jongen, heb je dat zo mooi gedaan!”
En de hele buurt kwam natuurlijk kijken.
Dan weer was hij bediende op het kantoor van een eenvoudige handelszaak.
Hier werd hij gemarteld met met langwerpige kasboeken, waarin hij grote rijen verschrikkelijke getallen foutloos moest optellen.
Meestal midden onder de telling kwam dan de kortgebouwde baas binnenvliegen, die riep: “Hendrik, schrijf vlug even op:
 Voor Sietsema, 12 pond grauwe erwten, 10 pond bruine bonen, 8 en half pond capucijners, 15 pond………, hoeveel kost dat bij elkaar?”
Volgens zeggen van mijn vader heeft er nooit een telling direct geklopt.

Ondanks deze moeilijkheden of misschien juist dank zij deze moeilijkheden en de overwinning daarop vond hij zijn jeugdjaren  de mooiste tijd van zijn leven.
Het verlangen daarnaar, dat altijd uit zijn enthousiaste verhalen sprak, kwam in de laatste periode van zijn leven in verdubbelde mate weer naar boven.
Hoe vaak hebben we hem niet aan zijn bureau met zijn agenda’s voor zich zien zitten mijmeren over die tijd.
Dan zei hij opeens:
 “Vandaag is het precies zoveel jaren geleden, dat ik met mijn vader op een stralende zondagmorgen uit de kerk tussen de zonnige korenvelden en de weilanden liep.
Uit de verte  de aanwaaiende klanken van het klokgebeier en vlakbij het gezoem van bijen en hommels.
Een overweldigende indruk, die ik nooit zal vergeten. 
Maar het is voorbij, voorbij……… 
Hij kon er niet over uit, dat het het  jonge verouderde en dat op deze aarde al het schone gedoemd was te verdwijnen. 
Vaak hadden we het daarover, maar de blijdschap kwan terug als we over de hemel spraken, waar niemand meer zal vergrijzen en waar alles rein, alls welluidend zal blijven.


Omstreeks 1920, toen hij inmiddels verhuisd was naar Soest, kreeg hij tekenlessen van de zeer begaafde Ising.
In die tijd heeft hij weinig geschilderd, daar toen een slepende en slopende ziekte zijn lichaam aantastte, waardoor hij te moe was om een kopje koffie naar zijn mond te brengen, ja, zelfs voor het uitspreken van de letter r kon hij zijn tong niet meer voldoende bewegen.
Toch glansde er ook in die duisternis het licht, slechts te grijpen en te begrijpen voor wie ogen heeft om te zien.
Toen hij eens bij het beklimmen van de trap achterover was geslagen met zijn hoofd tegen de vloer, zei hij na de daaropvolgende urenlange bewusteloosheid, telkens als men hem iets vroeg.
 “Wat God doet, is welgedaan”

In die donkere periode is hij omstreeks 1930 met zijn gezin in Kampen komen wonen.
Na enige jaren trad er plotseling een snelle verbetering op in zijn lichamelijke toestand en kon hij hij weer naar buiten.
Toe brak de tweede gelukkige periode voor hem aan.
In die tijd kocht hij een roeibootje, waarmee wij talloze keren er opuit trokken, meestal naar het Ganzediep.
Dikwijls voeren wij dicht onder de oever, waar riet en biezen wiegelden.
Het zachte schuren van de flanken van ons schuitje langs de bladen van de waterlelie en gele plomp accentueerde de rust van de omgeving.
Een roze zwanebloem en een lis gluurden uit het riet.

“Kijk, een aalscholver!”
En ja, een eindje verder op een lange houten paal tussen de granietstenen van een krib zat er een, die bij onze nadering wegwiekte.
Bij een stil plekje schoot het bootje naar de kant en legden wij aan.
“Mmmmm, wat prachtig hier; dit moet ik schilderen!”
Tientallen, misschien wel meer dan honderd studies hebben zo hun leven te danken.
Deze studies van ongeveer anderhalve vierkante decimeter werden thuis uitgewerkt tot schilrijen.
Hoewel hij in zijn jeugd enige leiding had gehad, was hij als schilder toch eigenlijk autodidact. 


Zijn techniek perfectioneerde zich meer en meer, en wijzigde zich in de latere jaren in de richting van een vlotte, moderne ietwat schetsmatige stijl
Hij was geen schilder van wat men tegenwoordig problemen pleegt te noemen, maar hij zag het wonder in in het gewone, in het ongecompliceerde.
Met een afkeer van alles wat zich door bizarheid aan de aandacht wilde opdringen, zocht hij de schoonheid in het alledaagse, waar men doorgaans achteloos aan voorbijgaat, bloeiende gele brem in juichend zonlicht, een zware loodgrijze regenlucht boven een eiland, een stilleven met de glans van een koperen ketel, een waterpartij. 
Mauve en Maris (Willem) van de Haagse school waren zijn favorieten.
Maar als men hem nieuwsgierig vroeg: 

“Is dit nu impressionisme?” antwoordde hij met enige tegenzin: 
“Noem het zo, als u wilt, maar hoe vindt u het?” 
Hij analyseerde niet, maar wilde steeds het geheel zien. 
Hij benaderde de kunst niet van de intellectuele theoretische zijde,  maar van de praktische kant. 
“Bij een mooi schilderij ga je niet gewichtig zitten praten , je moet het zien! Muziek kun je ook niet ruiken, dat moet je hóren!”


Even intens als hij de blijdschap over de schoonheid beleefde, ervoer hij de pijnlijke onwetendheid en de weinige kunstzinnigheid der mensen. 
Hoewel dit hem zeer bedroefde, zag hij daarin toch ook de humor blinken. Eens liet hij hij aan de bezoeker een sneeuwlandschap zien. 
Deze zei met een intonatie van plotseling begrijpen:
“Aah. Dat is nou een stilleven, dát is nou stilleven”. 
Een andere keer toonde hij  met enige trots zijn originele Maris aan een lijstenhandelaar die meende verstand van kunst te hebben. 
Bewonderend zei de man: “Ja warempel, een echte Pieter Marits”. (1)



Hij leefde in zijn werk, hij ging daar helemaal in op. 
Soms hield hij onder het bidden ineens op; na het amen zei hij dan:
“Ja, ik moest even ophouden, ik zag zo’n bijzonder mooi schilderij; even een schetsje van maken”.
En ik zie hem nog lachen, toen een van de studenten hem heet van de naald kwam vertellen, dat K.S. op college had gezegd dat er in de hwemel ook weer geschilderd zou wordem.
De zondag, waarop hij niet mocht schilderen, vond hij de vervelendste dag van de week. 
“Ik ben altijd blij als ik ’s maandags weer aam mijn werk mag”. 
Zingend stond hij steeds voor zijn ezel. 
Niet dat hij niet graag over geestelijke dingen sprak, integendeel. 
Meermalen werden in de grote, gezellioge huiskamer de gesprekken o. a. met theologische studenten tot diep in de nacht voortgezet, maar de nadruk lag niet op de dogmatische theoriën, waarbij het hart gevaar loopt koud te blijven. Hij wilde praktisch zijn en Gods hand zien in alle dingen des dagelijkisen levens.
Wanneer hij b.v. het door hem getekende portret van zijn vader liet zien, verzuimde hij niet erbij te vertellen.
“Dit is het nerkwaardigste portret dat ik heb getekend.
Mijn vader was driftig en kortaangebonden, en kon daarom niet lang stilzitten. Daardoor heb ik zijn hele leven nooit gelegenheid gehad eens een tekening van hem te maken. 
Maar toen hij eens een paar dagen bij ons gelogeerd


Was, hebben we het nog eens geprobeerd en is het gelukt, voor het eerst.
De volgende morgen, toen hij zou vertrekken, is hij in alle vroegte onverwachts overleden. 
En dan eindigde hij altijd met te zeggen;
Ik beschouw het als een vriendelijkheid van God, dat hij me dit aandenken aan mijn vader op de laatste dag van diens leven heeft geschonken!



Deze gelukkige tijd is wel zijn vruchtbaarste schilderperiode geweest. 
Hoewel hij in die tijd lichamelijk aardig goed was en vaak naar buiten ging om te vissen of te schilderen, is hij nooit meer geheel normaal gezond geweest.
Hij was vaak en snel vermoeid. 
En naarmate de jaren voortschreden ging zijn lichamelijke toestand allengs achteruit, een gevolg van zijn vroegere ziekte. 
Langzaam maar onafwendbaar namen zijn krachten af, en hij wist dat.
Aanvankelijk kwam hij nog wel eens buiten, maar de afstanden werden steeds kleiner. 
Zo schreef hij in zijn brieven:
“Het was vanochtend mooi weer. 
Ik heb even een eindje gewandeld. 
Oudestraat tot de Plantage.
’t Viel me mee, maar ik word oud en gebogen.
Als ik me zie in de etalages …….een oud mannetje……o wat erg ……maar de zon scheen…..”
En later: 
“Ik heb nog even tot de Bovenkerk gelopen en weer terug”.
En nog later: 
“We zijn gisteravond op bezoek geweest aan de overkant”. 
Tenslotte kwam hij helemaal niet meer buiten en in die laatste reeks van jaren heeft hij aan den lijve gevoeld, wat zijn ouders bij zijn doop hadden beleden:…….dat dit leven niet anders is dan een gestadige dood.
Tijdens de laatste maanden van zijn leven heeft hij nog een schilderstukje gemaakt. 
Een melancholiek riviergezicht in de herfst met een paar eenzame rietpluimen op de voorgrond. 


Hij heeft gevoeld dat dit zijn laatste werk zou zijn, want hij zei ervan: 
“Mijn laatste groet”.
Hoewel hij veel over geestelijke dingen sprak, was hij toch in zijn laatste jaren somber gestemd. 
Hij wist wel dat de grote heerlijkheid zou komen, maar de druk van het langzaam sterven versomberde toch zijn aardse leven, dat hij hartstochtelijke liefhad. 
In zijn laatste brieven schreef hij: 
"Ach man, wat is het leven mooi, hé!
Jullie staan nog aan ’t begin. 
Wij gaan de neergang. 
Dat valt me niet mee. 
Ja, ik weet het wel, de grote opgang komt later”.
Hij was schilder in hart en nieren en kon niet loskomen van zijn werk. 
Hij hing met elke levensvezel aan de aarde en haar schoonheid. 
Des te meer verwonderlijk was zijn reactie op de laatste dag van zijn leven, toen ik bij mijn komst mijn spijt erover uitdrukte, dat ik niet de reproducties van enige schilderijen had meegenomen, die ik voor hem gekocht had. 
“Och" , zei hij, “dat is allemaal aards, daar wil ik nu niet meer over praten”. 
Plotseling waren de banden geslaakt
Die ochtend was hij ruim een half uur in visionaire toestand geweest en had “onuitsprekelijk schone dingen in de hemel!” gezien, waar hij vol van was en telkens van vertelde. 
Hij onderbrak zich echter steeds, omdat hij niet kon begrijpen, dat hij weer  “teruggetuimeld was op aarde”, zoals hij het zelf uitdrukte.
Het was voor ons alles even vreemd, dit toeven op de grenzen van tijd en eeuwigheid.
“Zijn we dan niet in de hemel? 
…… Maar ik hoor duidelijk  de klok tikken”.


Toch bleef hij verzekerd in zijn geloof, want later op de dag zei hij: 
"Straks ga ik weer daarheen” 
En zo was het. In de vroege ochtend van de volgende dag is hij in slaap ontslapen. 
Zijn werk was gedaan. 
Althans hier beneden

De tekst, waarvan hij de vorige dag een fragment aanhaalde, las ik de andere ochtend in zijn geheel, bij het opstellen van de overlijdingsaankondiging, en het was alsof ik hem van verre hoorde spreken: 
Want als wij, toen wij vijanden waren, met God verzoend zijn door zijn door de dood Zijns Zoons, zullen wij, veel meer, nu wij verzoend zijn, behouden worden, doordat Hij leeft; en dát niet alleen, maar wij Christus, door wie wij nu verzoening ontvangen hebben.

Wie een overeenkomst wil vinden tussen zijn werk en zijn moeilijk leven, zal lang moeten zoeken, maar wel is het verband er met zijn geestelijk leven en de praktische kinderlijke eenvoud daarvan.
Ik citeer nog eens uit zijn brieven:
“O  wat is het heerlijk dat kleine goed te zien opgroeien. 
Alles is even lief aan die kleintjes. 
Als je geen kinderen hebt, dan weet je eigenlijk niet volledig wat het leven is en begrijp je niet, hoeveel je van je kinderen kunt houden. 
Wonderlijke leven. 
Gelijk zich een vader ontfermt over de kinderen.
Wat kun je zoiets nu begrijpen, als je zelf een kind hebt. 
Wat wordt zijn woord er  rijker door.
Tenminste zo  is het mij gegaan. 
En dan te bedenken, dat God Zijn eniggeboren Zoon niet gespaard heeft, maar  heeft laten doodmartelen aan ’t kruis voor zondaren, om ons een eeuwig leven te geven………..ja,  daar houdt alle denken op en zwijgen we in verstomde , sprakeloze  aanbidding”


Een ander citaat:
“Jij was vroeger ook een rare.
Als hij wat gedaan had, wat niet mocht, dan zei ik: 
"Ik zal het dan maar weer door de vingers zien".  

Maar jij bleef maar staan …….wachten …..en eindelijk zei je:
Nou, doe het dan!.....
Ik direct met mijn uitgespreide vijf vingers voor mijn gezicht. 
Klaar was het. 
Afgelopen. 
’t Was vergeven. 
Zo doet God ook. 
Nog duizend keer heerlijker”.
Evenzo is zijn werk, een getuigenis van verwondering en dankbaarheid aan de Schepper van de de schoonheid in de natuur, de Schenker van het leven. 
Zijn werk blijft volkomen in overeenstemming met zijn geestdiftige uitroep op zijn laatste middag, toen we aan tafel psalm 103 zouden lezen:
 “Ja, dat is mooi, loof den Here mijn ziel!”

J. POEDER
 te 's Gravenhage

((1) Pieter Marits is de titel van een bekend jongensboek over de Zuidafrikaanse oorlog)
















ZgaTo
         
                     WIE IS DE ILLUSTRATOR!!!!!

Foto's familie 001
Foto's familie 003