dinsdag 7 februari 2012

FRIESCH DAGBLAD zaterdag 15 januari 1966

NSB- ERS ZETTEN  RODE EN BLAUWE STREPEN STREPEN

Vrije woord mocht niet meer klinken

De NSB- ers, die het Friesch Dagblad onder ogen, waren fel gebeten op de hoofdredacteur en wezen de bezettingsautoriteten er op, hoeveel schade diens artikelen deden aan de nazi- zaak. 
Erger was nog, dat een NSB- er in Leeuwarden elke dag voor de Duitsers in het Friesch Dagblad met rode en blauwe strepen aangaf, wat de Duitse zaak afbreuk deed.
Een Duitser bracht Algra hiervan op de hoogte. 
Hij heette Reinberger, was leraar aan de MTS in Leeuwarden en een verklaard tegenstander van Hitler en zijn bende, al camoufleerde hij dat tegenover de nazi's, zoals wij al eerder schreven. 
In een stil hoekje van het Fries Museum vertelde hij Algra, dat hij af en toe ook als tolk gebruikt werd en dat deze artikelen met hem waren besproken. 
Het werd gevaarlijk!
Algra kreeg meer waarschuwingen. 
De voorzitter van de commissie van toezicht, burgemeester B. Anema van Sexbierum, zei eens: 
Man, denk toch ook om uw vrouw en kinderen. 
Het antwoord luidde: 
U begint verkeerd. 
U moet zeggen: 
Wij zullen wel om uw vrouw en kinderen denken. als er iets mis gaat.
De hoofdredacteur was vast besloten zich aan het program te houden dat hij op maandag 17 juni  aan het bestuur ontvouwd had. 
Volgens de notulen zei hij: 
Taak en roeping moet(en) met getrouwheid worden volbracht en het contact met de lezers moet behouden blijven. 
Zij moeten bemoediging en houvast hebben aan hetgeen zij lezen. 
De verantwoordelijkheid daarvoor berust bij de redacteur. 
De heer Algra wil brengen : 
1e De Schrift en de Psalmen,
2e de lezers binden aan de historie en inzonderheid aan de historie van het Oranjehuis, 
3e de lezers op de hoogte stellen van de werkelijke situatie en er veel is, dat met dezelfde intensiteit moet doorgaan. 
Er moet naast de nodige voorzichtigheid ook een betoning zijn van moed.
CONFLICT
Die moed heeft hij opgebracht. Ondanks alle waarschuwingen en dreigingen ging Algra voort met de bestrijding van de nazi's en versterking van de geestelijke weerbaarheid van ons volk. 
Zo schreef hij tegen de invoering van het Duits op de lagere school. 
Fel en onverschrokken was hij vooral, wanneer het om pricipieel belangrijke onderwerpen ging, zoals de winterhulp en hen die poogden door deze instelling het diaconale werk te treffen. 
Een artikel daartegen eindigde hij met de zin: 
De politiek van het staatsalvermogen zal altijd een harde dobber hebben tegen een vrij volk. Alleen iemand die zich geborgen wist in Gods hand, kon in 1941 nog  getuigenis publiceren.
Het was voor iedereen duidelijk, dat een conflict met de Duitsers niet kon uitblijven. 
Ook Algra zelf koesterde op dit punt geen illusies, maar het was toch min of meer geen verrassing voor hem, toen hij merkte welk artikel de druppel vormde die de emmer deed overlopen.
Dat artikel handelde over De taak der Friese beweging.  
Het driemanschap uit die beweging was uit elkaar gegaan. 
Twee leden hadden zich bereid verklaard het werk voort te zetten, nu zonder de naziman. Algra sprak daarover zijn blijdschap uit, maar wees er op dat nu geen sporen van opportunisme meer mochten voorkomen. 
Hij toonde uit Der Stxc3xbcrmer aan, dat Mussert voor eb na de bezetting ongelijk sprak over vraagstukken als jodendom en vrijmetselarij. 
Ook in de Friese beweging waren wel figuren van Hier sta ik, ik kan ook anders.
Wij denken er over, daarvan met citaten eens een merkwaardig voorbeeld te geven. Zulke opportunisten moeten echter uit de beweging gezwaveld worden. Moarnpraet en jounpraet moat strike. Het is niet onwaarschijnlijk, dat nazi -Friezen, die toen heel erg in hun wiek geschoten waren en hierover ook contact opnamen met de Duitsers en hun handlangers, toen ook dit artikel gesignaleerd en afgekraakt hebben. Er zijn duidelijke aanwijzingen dat Weidlich niet op eigen initiatie handelde, toen hij Algra ter verantwoording riep.
INTIMIDATIE
Weidlich was woedend en begon meteen te intimideren. Algra zaaide onrust in Friesland en moest daarom opgesloten worden, luidde de verwelkoming. Deze wist dat dit wel eens waar kon worden, maar kwam niet onder de indruk. Kijk zei hij, dat vind ik nou niet sportief van een sportleraar. Ik wordt hier ter verantwoording geroepen, maar krijg niet eens gelegenheid mij te verdedigen. En als u mij opsluit, dan ontstaat er nieuwe onrust in Friesland. Deze nuchtere reactie brak de spanning. Weidlich kon dit tot zekere hoogte wel waarderen; waarschijnlijk voelde hij wel, dat hier een sterkere persoonlijkheid tegenover hem zat. Hij presteerde het zelfs om een lachje op zijn gezicht te brengen en werd meteen milder. Er moet iets gebeuren, zei hij. Al enkele keren heb in en uit Den Haag het verwijt gekregen, dat ik u maar liet schrijven. U bent een gladde vogel. Maar wij weten heel goed dat wat u over de Assyriërs en de Fransen schrijft, voor ons bedoeld is. Daarom mag u alleen aan de krant verbonden blijven, als u geen letter meer over de politiek schrijft.
Maar dat is juist mijn taak, was het weerwoord, daar ben ik voor aangesteld. Maar wat gebeurt er , als ik toch doorga? Dan wordt de krant verboden, zei Weidlich. Dan zal ik de zaak aan het bestuur voorleggen, besloot Algra. Ondertussen was het hoofdartikel ook ter sprake gekomen. Ik mag toch wel Der Stcrmer citeren, meende Algra. Aber das ist kein anständiges Blatt, zei Weidlich. Ik zou mij schamen als mijn vrouw het las!
Bij het afscheid vond Weidlich het spijtig, dat hij en Algra geen vrienden konden worden, nu zij elkaar eindelijk voor het eerst ontmoette. Nee, zei Algra, dat gaat niet, zolang jullie ons de vrijheid ontnemen. Misschien kunnen we dan scheiden als eerlijke vijanden, zei Weidlich en stak de hand uit.Toe dan maar, zei Algra
ONTSLAG
Algra bood het bestuur zijn ontslag aan en bracht verslag uit van zijn ervaringen. Sommigen meenden dat het toen de tijd was, de krant op te heffen. Anderen wilden het nog eens proberen en in die geest werd besloten . J. de Haan zou de hoofdredactie op zich nemen en een aantal dominees werd gevraagd af en toe een meditatie te schrijven. Maandag 20 januari verscheen het FD zonder hoofdartikel. De donderdag daarna werd meegedeeld dat Algra zijn hoofdredacteurschap had neergelegd,
Zijn opvolger bewees uit hetzelfde hout gesneden te zijn als Algra.. Diezelfde dag schreef hij zijn eerste hoofdartikel, dat tevens het laatste zou zijn. De betekenisvolle titel luidde: Voorttrekken. Dat was tevens het parool dat hij doorgaf, Daarin vertelde hij, dat een spreker eens gezegd had dat de vissen, juist wanneer het tegen de stroom ingeslagen, kuit schieten. Dan vermenigvuldigt de soort. De rest van het artikel was navenant. Vertrouwend op Gods genade wekte De Haan op, Christus getrouwe getuigen te zijn en te blijven, wat er verder ook gebeuren mocht.
De volgende dag belde Weidlich op: Naar Leeuwarden komen, de directeur en de nieuwe hoofdredacteur. Toen ze daar die zaterdag aankwamen moest eerst De Haan binnenkomen. Weidlich sloeg met de vuist op de tafel: Sie werden verhaftet. Was me dat een manier, zo'n hetze tegen Duitsland. Hij zou de Polizei bellen en deed alsof, onderwijl De Haan observerend,
Deze werd onder de ernst van de bedreiging verbazend rustig. Weidlich vroeg of Algra dat artikel geïnspireerd had en of dat kuit schieten een recente uitlating van Algra was. Naar waarheid antwoordde De Haan ontkennend. Hij protesteerde heftig tegen allerlei beschuldigingen. Maar Weidlich zei: Ik ben zelf journalist, ik ken die streken wel.
Daarop moest directeur Krommendijk binnen komen en die van hetzelfde laken een pak. Toen vroeg De Haan of het FD nog vrijelijk Gods Woord mocht uitdragen bij de lezers. Gods Woord, hoonde Weidlich, jullie calvinisten menen dat in pacht te hebben. Wij zijn ook christenen, maar lopen er niet zo mee te koop.
Op dat moment kwam de verlossende wending. De huistelefoon ging. Weidlich had een onvergeeflijke fout gemaakt en Ross laten wachten, Hij verontschuldigde zich. Toen ging de deur open, voor een nieuwe aanmaning. Weidlich raakte enigszins van de kook, greep jas en tas, riep:  Auf Wiedersehen en verdween. De beide mannen natuurlijk ook! Zij spraken af, voorlopig geen hoofdartikelen meer te publiceren, alleen meditaties.
VERBOND
Inmiddels stapelden zich nieuwe wolken op. De nazi's hadden een Verbond van Journalisten opgericht. Hoewel het met een handjevol leden begon, pretendeerde het de eenheid te vertegenwoordigen. De andere journalisten gingen zich erover beraden. Slechts enkelen zeiden principieel nee. De rest weifelde en kwam niet tot een besluit. Enkelen sloten zich in het geheim aan.
Allengs kwamen er geruchten: Er zou straks dwang toegepast worden en wie zich voor een bepaalde datum niet aansloot, zou zijn werk moeten opgeven. De stroom van hen, die de persvrijheid inruilden tegen een Ausweis, werd hoe langer hoe breder. Zij maakten het mogelijk, dat toen de beslissende stap inderdaad gezet kon worden, Er werd een persverordening aangekondigd en alleen leden van het nieuwe verbond mochten nog in de kranten schrijven na een bepaalde datum.
Directeuren van bladen, beducht de belangen van de aandeelhouders te krenken, deelden de journalisten mee, dat zij ontslagen zouden worden als straks de nieuwe verordening van kracht werd. De journalisten van de christelijke pers overlegden ook, maar een besluit werd niet genomen. De meesten lieten zich gelijkschakelen.
Niet alzo die welke bij het FD werkten. Zij waren het er over eens, dat de verordening de kranten en de journalisten uitleverden aan het nationaal- socialisme. Zij zouden door mee te doen, hun hoofden in een strop steken of werktuigen moeten worden van de nazi- leer. Dat nooit, zeiden zij, alles liever dan dat.
CONSEQUENT
Jan de Haan, Bouke de Jong en Haring van der Goot deelden het bestuur bij monde van eerstgenoemde mede, dat zij elke consequentie van dit standpunt zouden aanvaarden, ook de brodeloosheid. De meerderheid van het bestuur was toen van oordeel, dat het FD dan niet meer mocht verschijnen. Een enkeling maakte eerst nog bezwaar naar tenslotte werd met algemene stemmen het besluit genomen om de uitgifte te staken. Voorzitter Okma zou dit de Duitsers mededeelden.
Het besluit werd 12 mei genomen. Maandag 19 mei , de dag waarop de journalisten uiterlijk lid moesten zijn van het Verbond, verscheen het laatste nummer. Algra feliciteerde de journalisten met hun besluit en de lezers bleven niet achter met hun waardering. Enkele dagen later kreeg De Haan het bevel zich 's middags bij Weidlich te melden. Ook de voorzitter van het bestuur was ontboden. Er waren heftige dreigementen voor de telefoon geweest, ingeval de mannen zouden wegblijven. Het gerucht ging als een lopend vuurtje door Sneek en talloos vele waren de blijken van meeleven die De Haan ontving. Ds. Veldkamp stuurde een kalenderblaadje met een bemoedigende tekst.
De beide mannen namen rustig afscheid va hun gezin en bevalen zich in Gods bescherming. Toen De Haan aankwam, was mr. Okma er al. Weidslich kon niet begrijpen, waarom de Friezen geen lid wilden worden van het verbond. Dan is het doel van ons blad niet meer te bereiken en heeft het geen zin en geen bestaansrecht meer, was het antwoord. De heren lieten niet na er op te wijzen dat de journalisten nog vrij waren om te kiezen. Zij verklaarden niet te willen capituleren voor geestelijke dwang.
Het scheen haast, alsof Weidlich toch wel een zekere waardering had voor dit principiële standpunt. Na een tijd zei hij zijn bezoekers, dat zij buiten de kamer moesten wachten, hij zou met Den Haag bellen. Op de gang bespraken Okma en De Haan wat zij zouden doen, als Weidlich hen voor de keus zou stellen: doorgaan, of de gevangenis in. Ze beloofden elkaar op handslag niet toe te geven, wat er ook mocht gebeuren. Toen ging de deur open en een verheugde Weidlich riep hen toe: Het is goed, u wordt niet gevangen genomen. Hij zei het, alsof hij het onbegrijpelijk vond dat Den Haag zo clement kon zijn. Toen vroeg hij: Wat had u verwacht? Okma liet hem de tandenborstel zien, die hij voor alle zekerheid had meegenomen. Ja maar, zei Weidlich, wij zijn geen barberen. U had zeker eerst nog een koffer mogen pakken! Samen met de directeur zorgde het bestuur dat niemand van het personeel financiële schade leek. Er werden inzamelingen gehouden en zonder morren stak de NV De Motor zich in schulden, die gelukkig na de oorlog afbetaald konden worden.
GIJZELAAR
Voor Algra had dit alles nog een bitter staartje. Hij werd ingesloten als gijzelaar en terwijl de een na de ander vrij kwam, hielde ze hem vast. 
Zijn lot werd enorm verzwaard, door de publicatie van Der Zehnte Mal, een vertaling van Friese gedichten van R. P. Sybesma door Willy Krogmann, met medewerking van S.J. van der Molen. In een noot wordt Algra daarin geschilderd als een man, die zich in zijn artikelen telkens tegen der Zeit verzette en soms op achterbakse wijze probeerde Friese geschriften opnieuw uitgegeven te krijgen, die de Oranjes verheerlijkten en de bevrijding van de Fransen schilderde.
Toen kreeg Weidlich opdracht Algra's ergste artikelen te laten vertalen. Deze belastte Reinberger daarmee, maar deze stelde dit al maar uit. Tenslotte vroeg hij een vriend als getuige en verbrandde hij all bewijsmateriaal tegen Algra. Tegen de Duitsers zei hij, dat zijn vrouw tijdens de schoonmaak, bij vergissing alles opgeruimd had.
Herfst  klaagde mevrouw Algra haar nood eens aan Mevr. Quarles van Uffort  Numa. Deze Friezinne scheen bevriend met de Duitsers, maar speelde haar eigen spel. Fraai redde zij de show, toen Ross haar vertelde dat hij zou optreden tegen alle Friese publicaties, omdat daarin de Duitsers voor poepen werden gescholden. Wie dat zegt, kent het Fries niet, antwoordde zij gevat. Dat is geen scheldwoord, maar toont iets van bewondering. Als een Fries zegt: het is een poepetoer, bedoelt hij dat het een moeilijk karwei is, dat eigenlijk alleen een Duitser het kan opknappen. Ross liet zich overtuigen. 
Mevrouw Algra kreeg van haar de raad, met haar aanvallig dochtertje naar Ross te gaan. Het kind bracht hem in een milde stemming, maar, zei hij, uw man kan niet vrij, want er is een heel dik dossier tegen hem. Hij was wel zo vriendelijk om even te bellen, teneinde het haar te tonen.
Toen het kwam, bleek het leeg! De list van Reinberger had succes gehad. Ross schrok er zelf van, maar niets bleek te achterhalen. Met de kerstdagen was Algra vrij. En hij bleef het, ook al werd hij medewerker aan het ondergrondse Trouw.

JAN FOLKERTS DE HAAN

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen