zaterdag 12 november 2011

DE KONINGEN ONDER HET KRUIS


Kerstverhaal door J. de Haan


Met vakantie in een dorpje in het noorden, trok het bij een wandeling buiten het dorp mijn aandacht, dat zó maar midden in het vrije veld een paar eeuwenoude beuken stonden. Verderop ontwaarde ik ook nog een groepje bomen, terwijl overigens in het vlakke weideland geen boomgroei viel te bespeuren. Zou hier heel vroeger een oude state hebben gestaan.?
 Nu mijn nieuwsgierigheid was gewekt, besloot ik een boer, die in de buurt bezig was, er eens naar te vragen. Hij had mij al zien staan kijken. Hij tikte aan zijn pet. Een paar helder grijze ogen namen mij vanuit een diepgegroefd maar rustig gelaat op. Net de  kop van een filosoof, dacht ik nog.. Die tref je meer op het platteland. Hij glimlachte even. Inderdaad, er had vroeger een state gestaan. Toen keek hij me nog eens aan. Ineens maakte hij een gebaar. “Kom, laten we er even bij gaan zitten”, zei hij, “ik heb wel even de tijd. Dan zal ik u een verhaal van de state vertellen”. Ik herinner me het nog heel goed dat we ons samen in het gras neervlijden. Ergens hoog boven ons in de onmetelijke blauwe lucht hing trillend een leeuwerik te zingen.



De boer plukte als gedachteloos een grassprietje en wees daarmee in de richting van het groepje bomen. “Jaren geleden” zo ving hij zijn vertelling aan “stond op die plek nog een oude grote boerenhuizinge. Zij was van de dorpsweg af te bereiken langs een brede beukenlaan door een monumentaak smeedijzeren hek met de naam “Van Aisma – state”. De boerderij lag wat weggedoken tussen dromerige grachten en singels met hoogopgaand geboomte. Voor de gevel was een siertuin met een vijver. Door die tuin liep een schelpenpad naar de hardstenen stoep met zes treden voor de grote voordeur.
De Van Aisma – state behoorde al eeuwen bij het dorp. Zij was verweven met tal van oude historische overleveringen. Op dezelfde plek zou eerst een klooster hebben gestaan. De monniken hadden de terp opgeworpen Later was er een stins geweest met zware muren. Er werd gefluisterd, dat er zich onder de hoeve nog oude kelders en gangen bevonden en dat één der Van Aisma’s, daar voor eeuwen eens een grote schat zou hebben opgegraven.
De boer lachte even. Dat waren van die volksverhalen, die men wel meer tegen kwam. “In de tijd, dat mijn verhaal begint”, zei hij, “woonde er nog Worp van Aisma, de oude. Een ruwe bonk van een kerel. Zoals hij van buiten was, was hij van binnen. Hij was als grietman de ongekroonde koning van het dorp. Ook in de kerk speelde hij de eerste viool. Misschien zou zijn harde karakter iets zijn verzacht als zijn jonge vrouw maar langer had geleefd. Maar zij stierf bij de geboorte van hun tweede jongen. Oude Worp bleef achter met zijn beide kinderen, Rienck, de oudste en Goffe, de jongste. Rienck was een stille peinzer. Hij aardde veel naar zijn moeder. Goffe werd een echte wildebras. De oude had voor hem een kennelijke voorliefde. Dat was een jongen naar zijn hart. Rienck, de oudste, kon hij niet recht verdragen. Om kort te gaan, toen de beide zoons volwassen waren, kwam het tot een hooggaand conflict tussen de oude Worp en zijn oudste zoon. Worp jaagde hem van de boerderij als een hondsvot. Hij schreeuwde hem na. Dat hij hem zou onterven en hij hield woord. Goffe werd erfgenaam van het faniliegoed. Hij was toen al over zijn jonge jaren heen. Men zag hem in die dagen nog dikwijls dagenlang rondzwerven door zijn uitgestrekte landerijen, tussen poelen en petten, meestal met geweer en weitas, want hij was een hartstochtelijk jager. “Zwarte Goffe” heette hij in de dorpsmond. Want zijn haar en baard waren gitzwart en hij had diepliggende zwarte ogen, waar een mens voor kon worden. Van hele oudjes heb ik nog wel gehoord, dat hij ontzettend sterk was. Eens bood hij aan, drie boeren, die samen zaten te wurmen om een wagen met hooi in de schuur te duwen, te helpen. Hij zou de disselboom wel nemen, en zij moesten de wagen achter maar opduwen. Naar ze wilden nu wel eens weten, hoe  het met al die verhalen was en ze gingen er met drieën aan hangen en zetten zich schoor. Maar houden konden ze het niet. Met wagen, hooi en al werden ze door Goffe de schuur ingetrokken……

Goffe was wat eenzelvig. Hii is nooit van zijn leven getrouwd geweest. Als landheer was hij niet slecht. Als zijn pachters een misoogst hadden, schoof hij soms het geld, dat zij hem kwamen brengen, terug. Wie in moeilijkheden aanklopte, keerde niet met lege handen terug. Was het aleer, toen zijn moeder nog leefde, wel eens feestelijk toegegaan op de state, vooral wanneer uit de verre omtrek de glanzende rijtuigen van vrienden en verwanten met vurige kleppers bespannen de oprijlaan indraaiden en onder vrolijk gekout en gesnap op het vrede erf werd uitgespannen, in de tijd, dat Goffe van Aisma er alléén woonde, werd het er stil. Zijn gitzwart haar werd langzamerhand spierwit.
Zelden of nooit kwam er meer een gast op de boerderij. Daarom trok het te meer de aandacht, toen op een dag drie jonge mensen in het dorp de weg vroegen naar de Van Aisma State,
. Zij bleven de gehele dag op de boerderij. Tegen de schemeravond kwam uit de oprijlaan een rijtuig de dorpsweg op en even later ratelden de wielen over de dorpstraat. De mensen gluurden door de ondergordijntjes. De meesterknecht van de hoeve zat op de bok en in het rijtuig zaten de drie jonge mannen terwijl velen zelden er ook Goffe zelf in te hebben zien zitten. Een poos later kwam het terug. Toe had alleen de meesterknecht op de bok gezeten. De volgende zondag was de grote gebeeldhouwde kerkbank leeg. Ze bleef leeg vele maanden….. De mensen gisten, maar het bleef een mysterie.”
De boer, die met het verhaal vertelde, ging wat verliggen. Hij plukte weer een grassprietje dat hij tussen de lippen schoof.
“Er gingen enige seizoen over het dorp heen” – vertelde hij verder – “Toen op een winderige avond hoorden de mensen een rijtuig ratelden over de dorpstraat. Sommigen, die er nog een glimp van hadden kunnen opvangen, hadden een grote, rijzige gestalte op de bok gezien. Enkele dagen later liep het gerucht, dat de Goffe van Aisma op de state was teruggekeerd. Er waren enkelen die hem hadden gezien. Het gaf weer stof tot praten. Maar wel héél groot werd de deining, toen vlak voor de Kerst alle mannen en vrouwen van het dorp werden genood op een groot Kerstmaal op de statige herenboerderij. Dat was bij hen weten nog nooit gebeurd. De bakker, de slager, de kruidenier zagen het bestellingen regenen. Daar lekte natuurlijk wat van uit. De mensen sloegen van verbazing de handen ineen. Het zou een gróót feestmaal worden…..

Op de de bewuste avond schuifelden de dorpsbewoners door een stille witte wereld, waarin het gerucht van hun stemmen ver klonk, naar de boerderij, die straalde in het licht. Het was hen in de laan als liepen zij over een smetteloos witte loper. In de grote voor deze gelegenheid met dennengroen versierde schuur met zijn zware gebinten, vonden zij met witte damasten lakens gedekte tafels met lange banken, waar ieder mocht aanschikken. Aan het hoofd van die tafel stond eenzaam een hoge gebeeldhouwde stoel met daarnaast nog drie lege zetels. Zij waren er wel van onder de indruk. Slechts fluisterend durfden ze met elkaar te praten.
Het gepraat verstomde, toen Goffe van Aisma zelf verscheen, nog recht als een kaars en met dezelfde grote spierwitte baard. Sommigen wilden gaan staan maar hij wenkte met de hand. Een hoge profetenfiguur leek hij hen toe. Er viel een diepe stilte, toen Goffe het woord nam. “Ik ben blij weer in ons dorp terug te zijn” zo begon hij. “Ze hoorden bij elkaar, de Van Aisma state en het dorp. Ik vond daarom, dat wij samen moesten zijn aan dit Kerstmaal. Misschien wil de meester eerst met ons het Kerstevangelie lezen.
De meester las het Kerstverhaal, het verhaal van de geboorte van de Here Christus in de nacht, toen de herders de wacht hielden op het veld van Efratha.
Toen het laatste woord was verklonken, gaf Goffe van Aisma een wenk aan de meesterknecht, die in een dikke duffel gestoken de feestzaal verliet. Toen buiten op het erf het kraken klonk van een wegrijdend rijtuig,vertelde Goffe de dorpelingen met rustige stem, dat er straks nog drie gasten zouden komen. Hierbij wees hij op de lege stoelen naast hem. Daarna noodde hij hen toe te tasten en zich te goed te doen aan alles wat er zou worden opgediend. Ze lieten het zich goed smaken maar onder alles door groeide de spanning.

Tegen het einde van het gastmaal hoorde men plots buiten op het erf een paard briesen en het doffe gebons van stampende paardenhoeven. Er klonken stemmen. Goffe van Aisma was van zijn zetel verrezen. Hij keek naar de deur en zei enkel “De gasten” Allen rekten de hals. Door de zijdeur kwamen drie jonge mannen. Ze waren om en bij de dertig. Niemand kende hen. Ze brachten een groet aan het volk. Op een gebaar van Goffe namen ze de lege zetels in. Toen richtte de heer van de Van Aisma – state zich tot het dorpsvolk aan de feestdis in de grote schuur.

“Nu de drie jonge gasten in ons midden zijn” zei hij, “zal ik u vertellen, waarom zij samen nu enige jaren geleden op een dag op de hoeve kwamen. Ik was oud geworden onder u en ik ben de laatste van ons oude geslacht”. Hij wachtte even en ging daarop voort: “Ik had drie verre neven, die stuk voor stuk in aanmerking zouden komen om erfgenaam te worden van ons uitgestrekte familiebezit. Vóór ik mijn keuze deed wilde ik hen zien en hun inborst weten.
Even ging er een licht gemurmel door de zaal, zoals een windvlaag ritselt door het bos. De stilte werd daarop nog te dieper. Goffe van Aisma zette het glas met fonkelende wijn neer, dat hij even aan de lippen had gebracht. Dan ging hij met krachtige stem verder: “Toen wij die middag samen aan tafel zaten kwam het gesprek op de mens als koning. Toen kreeg ik plotseling een ingeving. Ik stelde hen voor, dat zij drie jaren zouden mogen reizen de wereld in. Zij zouden van mij ieder een som gelds krijgen, meer dan voldoende om in die tijd onbekrompen te leven. Maar tijdens die reis zouden zij moeten trachten te komen achter het geheim van ’s mensen waarachtige koningschap. Ik liet in hun bijzijn door de notaris het uur en de dag vastleggen, waarop zij weer terug moesten zijn om mij dat geheim te openbaren. Het was deze dag. Maar zelf vertrok ik ook die dag. Mijn vader had mijn oudste broer onterfd. Nooit had ik meer enig levensteken van hem vernomen. Ik wilde naspeuren of hij nog in leven was. Helaas, het is mij niet mogen gelukken een spoor meer van hem te vinden”.

De eerste jonge man keek met koele ogen de zaal in, toen hij opstond. Over zijn beheerst gelaat, vervuld van superioriteitsgevoel. Waarop een hooghartige en berekende trek viel te lezen. Gleed even onmerkbaar een glimlach.

“Elk mens op aarde draagt diep in zich ideaal van de koningsmens. Het is de mens, die volkomen meester zal zijn  op de aarde en dit leven zal doen verkeren in een gelukzalig paradijs. Maar de die koningsmens zullen eerst alle mensen zich bewust moeten worden. Zij zullen eerst allen die koningsmens moeten willen zijn, de mens, die zichzelf dient. Wie de stem der historie beluister, hoorde reeds zijn voetstappen. Hij zal eens komen in volle glorie. Hij komt in de weg van het systeem en van de machtsvorming, als de vervulling van de droom aller mensen in alle tijden, om de hemel te brengen op aarde. De koningsmens is de mens, die staat naar macht, mach, macht….. De evolutie van de mensheid zal hem baren in zijn verblinde schoonheid en pracht als ééns héél de wil der mensheid zich zal hebban samengebundeld. Al wie vandaag, op welke wijze dan ook, in trots zelfbewustzijn, die koningsmens in zich tot gelding zoekt te brengen tot al groter eer en macht, is zijn voorafschaduwing…….”

De tweede jongeman sloeg met een minachtende spotlach zijn lage haren achterover, die bijna over zijn gelaat hingen. Toen het licht er op viel zag men er de sporen op van een tartende arrogante en zwier, een weergaloos bitter sarcasme en spottende zorgeloosheid en onverschilligheid.
“Maak mij over die koningmens in een paradijs toch niets meer wijs”, riep hij fel. “Hoevelen al niet werden er door betoverd telkens opnieuw, maar hoe werd die waan ook telkens maar weer in flarden gereten, Men vergaapte zich aan de schijn van zelf geprojecteerde droombeelden. Men vluchtte voor zich zelf in mateloze angst voor het leven. Maar de mens, die werkelijk koning is, durft te leven! Hij laat God en de wereld en eigen keven voor wat het is; één donker raadsel. Hij maalt niet om verleden of toekomst, hij neemt het leven nu, zoals het is. Hij stort zich in de mateloze vreugden en in de mateloze diepten van dit zinneloos bestaan. De koningsmens is de men, die zich uitleeft, die de kelk van het leven aan de lippen zet en drinkt, die het proeft in zijn laaiende hartstocht, in de zwijmel van zijn genot, in de krimpende ellende van zijn genot, in de krimpende ellende van zijn donkere pijn, in de raadselachtige krochten van zijn naakte existentie. Hij wil niet anders meer dan die volle beker drinken, drinken, drinken, tot hij er op een goede dag in stikt. Dat is de koning, die lachend alles tegentreedt, die het leven omvademt, die het aandurft, die het uitzuigt, die het veracht en er mee spot, zonder ooit ,eer de ijdele vraag te stellen naar de zin van dit alles.”


De dorpelingen, die al huiverend hadden geluisterd naar de eerste, gevoelden hun ontzetting nog meer groeien, toen zij de lach hoorden, waarmee de weer ging zitten. Op een wenk van Goffe van Aisma verrees daarop de derde gast. Er was iets in zijn klare ogen, dat de mensen onrustig maakte. Want het was als maakte die blik iets wakker in hen, de herinnering aan lelijke dingen in hun leven, die ze altijd weer trachtten te vergeten en te verdringen. En toch was er ook een milde zachtheid in, die hen vervulde met een wondere, blijde verwachting.
Er zijn koningsmensen op deze aarde”, begon hij, “maar hun koningzijn is verhuld in het kleed van een schamelheid, waardoor wij ze niet zouden begeerd hebben.”Hij keek naar Goffe van Aisma, die hoog en zwijgend in zijn zetel zat. “Ik heb er één gekend, heer van Aisma. Die mens vond ik in de sloppen van een wereldstad. Hij zelf was een verlatene, van zijn eigen vader verstoten. Hij wist, wat het was niemand meer te hebben in deze wereld. Het was een vereenzaamde. Daarom ging zijn hart uit tot allen, die als hij verlaten waren. Hij had ook niets in de wereld. Hij was van alle aardse goed beroofd. Daarom ging zijn hart uit naar de armen en woonde hij in hun midden. Het brute geheim van het zich opwerken tot eer en macht was hem vreemd en hij dacht wel na over de zin van het leven, de zin van het lijden ook, dat hem geschreven stond op het deemoedig en weerloos gelaat. Hij scheen een misdeelde, een verschoppeling, een vergetene en een onbegrepene. Daarom ging zijn hart ook uit naar hen, die door dit leven waren gehavend en gekneusd. Hij ging stil en eenvoudig door het leven, niet als de sterke ideaal – mens maar als een onmachtig kind, niet als een levensproever maar als een diepzinnige wijze, die de tijd uit ging kopen. Hij werd gehaat van de mensen, die dorstten naar de paradijskoning en was een ergernis voor allen, die zich koningen noemden in de goot. Maar mij heeft hij het geheim verteld dat hem dreef: dit leven onder het kruis hier op aarde, in de schamelheid der zelfverloochening en vernedering was hem dienst aan de Heer, aan het Kind, dat geboren werd in Betlehem, aan de Koning, die werd geslagen aan het kruis. Dat was een koningsmens en allen, die als hij hier hun levensweg gaan in deemoed en zelfverloochening, in overgave en dienst aan de Heer, zij zullen eens koningen zijn. Op de nieuwe aarde – niet hier – zullen zij met Christus een als koningen heersen”.

Aan het hoofdeind van de tafel waren drie man opgestaan. Het waren Goffe van Aisma en de beide gasten. De jonge mannen keken beiden met minachting naar hun derde metgezel. Zij verlieten bruusk de schuur. Maar Goffe van Aisma, in zichtbare ontroering, wendde zich tot de laatste jongeman met een vraag. “Wie was het, die u de weg wees naar het geheim van het werkelijk koningschap dat niet hier maar eens op de nieuw aarde zal werden gezien? Was hij het soms, mijn broer?” Het werd zo stil in de schuur, dat men een speld kon horen vallen.
“Hij was het”, antwoordde de jonge man zacht. “Hij was het, uw broer, Rienck van Aisma. Hij is niet meer op aarde maar leeft in de aanschouwing van Zijn Koning, Hij ziet Hem nu van aangezicht tot aangezicht”.
Toen zette de meester op het huisorgel een oud Kerstlied in. Met een brok in de keel hebben ze het samen gezongen. Alleen Goffe van Aisma zong niet. Hij had het hoofd in de handen geborgen en ze zagen hem snikken…..

De boer stond op. Hij keek naar het groepje bomen. Aisma – state is verdwenen”, zei hij dan. “En wat ik u vertelde, was het werkelijk zo of was het maar een legende? Maar in elk geval bevatte het een diepe zin. Welzalig de mens, die door dit leven gaat onder het kruis in de verwachting van het eeuwig Koningschap van Christus, als één, die dient…….


(Uit de kerstbijlage1957 van de Nieuwe Provinciale Groninger Courant)

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen