maandag 14 november 2011

HET FRIESCH DAGBLAD IN BEZETTINGSTIJD

Het Friesch Dagblad in bezettingtijd

Autoritaire heersers zijn verklaarde vijanden van de vrije meningsuiting. Deze agressiviteit wordt vooral ingegeven door de vrees voor het gedrukte woord, dat zich richt tegen het door hen gevierde beleid, Sommigen van hen hebben getracht zich daartegen te verdedigen door zelf een orgaan volledig te beheersen en ( met subsidie)  uit te geven, maar zodra bekend werd wie achter de schermen aan de touwtjes trok, was de invloed verdwenen. Trouwens, wanneer de oppositie het wapen van de ironie gebruikte, stond ook het regeringsorgaan machteloos. Een ander wapen was een zeer ruim uitgelegde interpretatie van de strafwet, maar ook daar waren altijd mazen in te vinden, wanneer althans de schijn gehandhaafd moest worden dat de democratische vrijheden onder het autoritaire regiem werden gehandhaafd. Slechts in dictatoriaal geregeerde landen vond men de oplossing voor dit probleem. Door middel van intimidatie, ontslag, mishandeling en moord dwongen de heersers directies en journalisten alleen dat te publiceren, dat hen welgevallig was. Ook Hitler heeft dit systeem met succes toegepast. Met medewerking van de sater Goebbels werd het tot de uiterste perfectie ontwikkeld. Een dicht net van politie en spionnen zorgde er voor dat in Duitsland geen woord gepubliceerd werd dat maar enigszins afweek van de uitgegeven directieven, of het werd onmiddellijk aangebracht, waarna de schrijver onschadelijk werd gemaakt. Wanneer Goebbels decreteerde: hierover mag niets gepubliceerd worden, dan gebeurde het niet. Als zonen sneuvelden op de slagvelden van Franco in Spanje, dan mocht over de oorzaak van hun dood niet gesproken worden, laat staan geschreven. En het Duitse volk liet zich deze terreur aanleunen, Iedereen wist, dat alle kranten schreven volgens de van hogerhand verstrekte instructies, maar allen geloofden, wilden althans geloven, dat, wat er geschreven werd, waarheid was. Wij hebben het nooit geweten, schreeuwden ze om het hardst na de oorlog,      toen de gruwelen van het nationaal – socialisme bekend werden. Ze hebben het niet willen weten, omdat zij toestonden dat iedere vrije gedachte door Goebbels gewurgd werd

Geen capitulatie voor de nazi’s

Toen de Duitsers ons land bezetten, was dit bij de journalisten en de directies van de bladen allemaal bekend. Zij waren er ook van op de hoogte, dat dit geleidelijk gebeurd was, stap voor stap, en dat door medewerking van nazi – journalisten het de schijn had gekregen van vrijwilligheid. Zij moesten er op bedacht zijn, dat dit proces ook in Nederland geprobeerd zou worden.
Men zou denken dat geen groep in Nederland zo gepredisponeerd was tot het voeren van succesrijk verzet als juist de journalisten. Want niet alleen waren zij op de hoogte van de feiten, zij hadden bovendien altijd van de daken verkondigd dat zij hun werk niet konden doen dan in volstrekte vrijheid.

Waar de grens van die vrijheid lag, werd verschillend beoordeeld, maar zij waren het in overgrote meerderheid er over eens, dat dit niet door de gewone rechter kon worden uitgemaakt. Zij vormden, door hun dienst aan de Koningin der Aarde, een groep apart, die niet onder de gewone wet kon en mocht vallen. Zij eisten een speciale ethiek voor zichzelf op, hielden beschouwingen over een erecode voor de journalistiek en pretendeerden dat alleen vakgenoten konden oordelen over een eventueel vergrijp tegen de persethiek. En bij dat alles stond de persvrijheid centraal: het recht op informatie en het recht van publicatie. De krant was een publieke instelling, een onmisbaar orgaan van de democratie, een verlengstuk van het mondige volk dat er recht op had volledig geïnformeerd en voorgelicht te worden. En daarom moest een journalist bij de nieuwsgaring de nodige armslag hebben en mocht hij in de uitoefening van zijn functie niet bedreigd worden met strafmaatregelen door wet en rechter. Ieder die probeerde deze vrijheid te beknotten, pleegde in wezen een aanslag op ons democratisch staatsbestel.

JOURNALISTEN FAALDEN

Helaas moet geconstateerd worden, dat wellicht geen enkele groep zodanig teleurgesteld heeft als die van de persmensen. Toen de Duitsers het A.N.P. hadden overgenomen en onder nazileiding geplaatst, begon de vijand meteen aanwijzingen te geven. Dit of dat bericht moest worden geplaatst, soms in zijn geheel, ofwel: over deze of gene gebeurtenis mag niets gepubliceerd worden. Nog later werd een enkele keer zelfs de grootte van de kop aangegeven. Spoedig na de bezetting begon ook de perschef Janke bijna dagelijks persconferenties te beleggen, waarop de hoofdredacteuren van de landelijke bladen ingescherpt werd wat ze moesten doen en laten.

In het begin werd door de redacties met dit alles nog wel eens de hand gelicht, maar al spoedig volgden dan waarschuwingen en dreigementen. Daarbij bleef het niet. De Standaard werd voor acht weken verboden wegens een hoofdartikel van dr. Colijn. Door deze maatregel sloeg de directies de schrik in de benen en de journalisten voelde zich evenzeer bedreigd. De directeuren herinnerden zich daarbij, dat zij na de oorlog geen krant konden uitgeven, wanneer na een volstrekt verbod hun machines zouden worden gevorderd. Natuurlijk speelden de belangen van de aandeelhouders ook een rol: de krant mocht dan een ideëel doel dienen, het waren tenslotte zakelijke instellingen, die geen verlies mochten lijden.

Maar ook vele, te vele, journalisten weifelden. Hun lofzangen op de persvrijheid zongen zij in een ongevaarlijke tijd. Nu echter stond hun inkomen,hun vrijheid, misschien zelfs hun leven op het spel, Verreweg de meesten gingen de huik wat neer de wind hangen en gooiden het met hun journalistiek geweten op een akkoordje; het was een bijzondere tijd, de oorlog zou wellicht maar kort duren, de lezers begrepen wel dat zij moesten schrijven als zij deden en dat het allemaal maar Duitse propaganda was. Langzaam maar zeker schoven zij verder; wij hebben ze zien vallen en hun val was groot.

Gelukkig niet allemaal. Er waren kranten en journalisten die het er op aan lieten komen. Sommige redacteuren namen ontslag; anderen werkten tegelijk mee aan illegale bladen. De Maasbode werd al vroeg verboden. Er is echter maar één krant geweest die met alle daaraan verbonden journalisten liever onderging dan capituleerde. Dat was het Friesch Dagblad.

HET FRIESCH DAGBLAD
.
Het Friesch Dagblad was maar een kleine krant, die uitging van een vereniging, de enige in Nederland Die organisatie stelde zich ten doel: de verbreiding van de antirevolutionaire beginselen. Het bestuur stond onder leiding van de voorzichtige, maar onverzettelijke mr. D. Okma. Daarnaast was er nog een commissie van toezicht, waarin ds. W.H. den Houting domineerde.
De oplage van de krant bedroeg slechts weinige duizenden en de redactie bestond uit slechts vier personen. Eigenlijk is dit nog iets teveel gezegd, want toen de vorige hoofdredacteur overleden was, bleek het financieel niet goed mogelijk een zware kracht als een volledige hoofdredacteur te betalen.

Vandaar dat  na de dood van de heer D. van der Meulen een andere oplossing was gevonden.

H. Algra, leraar aan het gereformeerd gymnasium, was gevraagd deze op te volgen. Algra had de functie gezocht noch begeerd, maar om der wikke van de zaak die het F.D. diende, wilde hij niet bedanken. In naam was hij hoofdredacteur, in feite echter hoofdartikelschrijver, omdat hij zijn volledige leraarsfunctie ook bleef vervullen. Al spoedig bleek dit een zeer gelukkige keuze te zijn, want zijn pittige hoofdartikelen trokken tot ver buiten de provinciale aandacht en het abonnementental, ontwikkelde zich in opwaartse richting

Het F.D. had geen eigen drukkerij, maar wel aandelen in de N.V. drukkerij  De Motor te Sneek. Het was een minderheidsbelang, zoals ook de directeur, G. H. Krommendijk, bezat. De drukkerij was technisch niet helemaal up to date, mede doordat de financiële toestand dikwijls zorgen gaf. Maar doordat men samen het doel van de krant boven de centen stelde, gelukte het telkens weer het voortbestaan van het blad te verzekeren. Maar juist toen het perspectief gunstiger scheen te worden, brak de oorlog uit. Dat toen één der redacteuren in dienst moest, was een bijzondere complicatie, maar gelukkig keerde hij spoedig terug. Dat betrof  J. de Haan die de feitelijke leiding van de krant had: een principieel man, die zijn functie uit roeping vervulde, zoals nog zal blijken.

Tegen het nazisme

Voor de vier mannen die eerst verantwoordelijk waren voor de inhoud van de krant was het helemaal geen vraag, wat er in de bezettingtijd met het F.D. vroeger of later zou sneuvelen in de strijd tegen het nationaal – socialisme. De vraag was slechts: wanneer. Zij zouden het conflict niet zoeken, maar zolang het blad verscheen zou het een klaar en duidelijk geluid geven, in overeenstemming met de grondslag die gekozen was. Er was eigenlijk maar een zorg, dat de beslissing zou vallen in de strijd om een kardinaal, voor ieder duidelijk punt.

De hoofdredacteur zag het als een bijzondere leiding Gods dat hij tot deze functie was geroepen. De geringe vergoeding die hij voor zijn werk ontving, kon geen verleiding zijn om aan zijn functie vast te houden. De reden die hem tot de aanvaarding van deze taak had gedrongen, gold nu nog in versterkte mate: de lezers te dienen door hen voor te lichten, hen iets mee te geven in die zware tijd, hen aan te sporen om de strijd vol te houden, omdat een christen niet anders mocht. Dit betekende ook een niet toegeven aan de vijand, die probeerde de kranten in te schakelen om ons hele volk aan het twijfelen te brengen over de uitslag van de oorlog.
De Haan, die met Algra in de frontlinie stond, zag het niet anders. Een christen – journa;list en een christelijke krant mochten nooit of te nimmer een instrument worden van het nationaal – socialisme, meende hij. Zijn werk op dit terrein was echter minder spectaculair dan dat van Algra: hij zorgde er voor, in overleg met zijn hoofdredacteur, dat de ergste en ergerlijkste staaltjes van propaganda ondanks de Duitse bedreigingen niet in de krant kwamen, Dat klinkt erg negatief, maar het had dezelfde strekking als de hoofdartikelen van Algra: de lezers te immuniseren tegen het nazi gif.

Hoofdartikelen

  Vier weken voor de aanval op Nederland schreef Algra naar aanleiding van wat in Noorwegen gebeurd was in een hoofdartikel hoe de aanval op Rotterdam zou kunnen verlopen – het is bijna letterlijk uitgekomen. Op de eerste dag van de bezetting van Friesland verscheen het F.D. met een meditatie over Psalm 91, die op de beruchte vrijdagmorgen in bijna alle schriftgelovige gezinnen gelezen was. Het was een troostvol en bemoedigend woord, een tendens die tot het laatst toe de hoofdartikelen zou kenmerken.

Daarin werd vooral uit twee bronnen geput: de bijbel en de geschiedenis. Hoe Algra uit oude, vergeten boeken citaten wist te voorschijn te toveren, grenst aan het ongelooflijke. En ze waren juist op het moment dat zij verschenen actueel: niemand behoefde te raden wat er bedoeld werd, al werden de Duitsers noch hun wandaden er in genoemd. Vooral zij die de huik naar de wind hingen, werden er op kostelijke wijze in te kijk gezet. Trouwens, niet alleen zij. Vernietigend was de meditatie over “Maar de vreesachtigen….” uit Openbaring 21: 8. Christus noemt de vreesachtigen (in de nieuwe vertaling staat: lafhartigen) het eerst van allen die in de poel van vuur en zwavel terecht zullen komen.

Een dankbaar object voor spot was ook de NSB, waarop men in de eerste tijd nog “frij pik” had. Wie dit nu herleest, gnuift nog. De  “slachtoffers” die het trof, waren razend, maar konden zonder de Duitsers niets doen. Ze werden op alle manieren tot op het hemd uitgekleed en verbeten (voorlopig) hun ergernis.
Het afglijden door welwillendheid en tegemoetkomendheid van de ambtenaren ( de Frederiks – mentaliteit) werd al op 22 juli 1940 gewraakt, Fel ageerde Algra tegen de compromissenpolitiek van de Nederlandse Unie, tegen de Winterhulp die een bedreiging vormde voor de kerkelijke arbeid, de opbouwdienst die “algemeen” wilde zijn, tegen vreugde en arbeid, tegen het opnemen van een nazi in het driemanschap van de Friese Beweging. Maar naast deze afweer werd het opbouwende werd niet vergeten, allerminst.

Onder druk

Onderwijl nam de Duitse druk op de pers steeds toe. In de provincies werden ook “Pressereferenten” aangesteld om de provinciale kranten beter in het oog te houden en ze gelijk te schakelen. In Friesland heette de man Weidlich en spoedig verzocht hij de provinciale hoofdredacteuren hun opwachting bij hen te maken. Bijzondere belangstelling had hij voor Algra, maar die liet zich daar niet zien: hij wenste geen vrij van school te nemen om de Duitsers te believen. Vandaar dat De Haan er heen ging.  Het werd een kennismakingsvisite, maar er kwam meteen al een verzoek (lees: bevel). Er zou een Duits operagezelschap naar Leeuwarden komen en Weidlich verwachtte dat de bladen daaraan extra en vriendelijke aandacht zouden schenken. De andree bladen namen dat aan, maar De Haan wees Weidlich er op, dat het F.D. principieel bezwaar maakte tegen opera en ballet. De Duitsers toonde zich hoogst verwonderd over zo’n strenge levenshouding, maar accepteerde het. Het F.D. nam er dan ook geen letter over op. De volgende keer kregen de andere bladen een standje over het niet al te enthousiaste verslag dat zij van de uitvoering hadden gegeven,
Op een andere keer kwam de grote Janke zelf naar Leeuwarden. Nu waren ook alle streekbladen tot het kleinste bokkekrantje toe, naar Leeuwarden ontboden. Beauftragte Ross hiel eerst een rede, die met ijzige stilte werd aangehoord. Toen werd gewacht op Janke. In die pauze vroeg Weidlich of Algra ook aanwezig was. “Nee”, zei De Haan, “ik vertegenwoordig het F.D” ”Dus , dat verschijnt nog wel?”vroeg Weidlich poeslief, daarmee doorschemeren latend, dat het de langste tijd wel zou hebben bestaan.

Toen Janke sprak, bevroren de gezichten opnieuw. Hij vroeg daarna of iemand nog iets te vragen had. Niemand voelde daaraan behoefte, maar een andere journalist had wel iets te zeggen. Hij sprak in het Fries. “Het was wel leuk,” zei hij, “dat de Duitsers zich verbonden voelden aan de Germaanse Friezen, maar dan hadden zij de journalisten ook moeten toespreken in de Friese taal.” Janke verontschuldigde zich. Van hem kon niet gevraagd worden dat hij alle talen sprak. Maar hij nam aan dat de aanwezigen zijn rede wel goed begrepen zouden hebben.
“Ook een wonder”, had een journalist halfluid gemompeld, toen Weidlich vroeg of het F.D. nog altijd  verscheen. “Dat was het inderdaad……..”


Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen