maandag 14 november 2011

JUBILEUM FRIESCH DAGBLAD

VERLOOFD PAAR GRIETJE JANS DRAGSTRA en JAN FOLKERTS DE HAAN

Bezettingstijd

De moeilijkheden kwamen, toen ons land door Hitler- Duitsland werd overrompeld. Niemand had een duidelijke voorstelling van wat tegenover de vijand recht en plicht was. Daar kwam bij. dat velen het gevoel hadden, dat de oorlog na de capitulatie van 14 mei 1940 praktisch voorbij was en het dus eigenlijk niet aanging, nog verder van vijandelijke troepen en vijandelijke autoriteiten te spreken..

Er is toen overleg geweest tussen bestuur en redactie, hoe de houding van het Friesch- Dagblad moest zijn. Er was een grote eensgezindheid. Het volk niet in de steek laten, maar het blijven dienen met principiële voorlichting, bemoediging uit de historie en goede informatie.

En daarbij waren allen het er over eens, dat er een moment zou kunnen, waarop er tegen de bezetter nee zou moeten worden gezegd, welke consequenties dat ook zou meebrengen. De hoop werd uitgesproken, dat het dan een zo duidelijk principieel verschilpunt zou zijn, dat ieder het begreep. De vijand had ook in Leeuwarden een Presse- Referent gestationeerd, die met de pers contact moest houden. Af en toe hield hij een conferentie, waar ook een vertegenwoordiger van het Friesch Dagblad verscheen, onze jongste redacteur. Bauke de Jong, die “geen Duits verstond” en bovendien leed aan een soort “Oostindische doofheid”als u begrijpt wat wij bedoelen.

De censor, Dr. Reinberger

In de eerste wereldoorlog was hij officier geweest bij de keizerlijke en Koninklijke garde van Pruisen. Maar nu woonde hij in Leeuwarden, was leraar Duits, interesseerde zich zeer voor Friese geschiedenis en oud-heiden,en hij en zijn vrouw moesten volstrekt niets hebben van het nationaal- socialisme. Ze wilden graag Nederlands staatsburger worden, maar de procedure, om daartoe te geraken, was nog niet voltooid, toen de troepen van Hitler Leeuwarden bezetten. Hij stond dus te boek als Duitser en hij en zijn vrouw, Dr. en mevrouw Reinberger, werden opgetrommeld, om de bezetters behulpzaam te zijn. Zij verleenden hun diensten, meer op hun eigen manier. De hoofdredacteur van het Fiesch Dagblad en Dr. Reinberger ontmoetten elkaar af en toe in het Friesch Museum en gebogen over potscherven en andere vondsten vertelde Dr.Reinberger, wat er zo al aan de hand was bij de bezetters.
Ondermeer dat de NSB zich zeer beijverde om de vijand ,waarmee wij in oorlog waren, te helpen. Achter de Hoven woonde een NSB- er, die elke avond het Friesch Dablad doorsnuffelde, en met blauw potlood aanstreepte, wat de vijand (die zijn vriend was) moest lezen. Het was nogal veel.

Het was geen vlucht

Moeilijk was het voor het Friesch Dagblad, om de “eigen mensen” uit te leggen, dat het vertrek van Koningin Wilhelmina naar Engeland niet als een vlucht mocht worden uitgelegd. Dat zij terecht zich met de Regering aan de greep van de vijand had onttrokken. Dat vertrok nl. zette aanvankelijk veel kwaad bloed. Of leidde to droeve teleurstelling. Een bejaard echtpaar had in de huiskamer ingelijst hangen de kerstgroet van Koningin Wilhelmina uit 1914. Die werd verontwaardigd weggenomen. De gemeentelijke reinigingsdienst te Leeuwarden kreeg verscheidene verscheurde portretten van de Koningin te verwerken.

Het  Friesch Dagblad heeft toen trachten uit te leggen, waarom die reacties er volkomen naast waren. Het artikel werd door ruim twintig dag- en weekbladen overgenomen in het persoverzicht, maar verschillende bladen lieten wel het slot weg, waarin de mensen de vraag werd voorgelegd, of ze maar niet weer zouden beginnen voor de Koningin te bidden.

Een duidelijk neen

In januari l941 werd de hoofdredacteur bij de vijand ontboden en werd hem meegedeeld: als het Friesch Dagblad op de nu gebruikelijke wijze voortgaat, zal het worden verboden. De hoofdredacteur moet van nu voortaan een andere koers volgen. De hoofdredacteur legde toen zijn functie neer.

Het bestuur overwoog, nu maar met de krant te stoppen, maar besloot toch, te proberen nog door te gaan en de heer De Haan kreeg nu de leiding. Hij wekte direct door zijn eerste hoofdartikel al de woede van de vijand op en het was wel duidelijk, dat een conflict niet kon uitblijven.
Toen verscheen het Verordeningsblad 83/41, waarin opgenomen het Persbesluit, dat ondertekend was door de secretaris- generaal van het door de vijandelijke bezetting in het leven geroepen nieuwe Departement van Volksvoorlichting en kunsten,  Dr. T. Goedewaagen, die wijsbegeerte had gestudeerd en niet het professoraat aan de Utrechtse universiteit had gekregen, waarop hij rekende. Hij was voor dit ambt uitgekozen door Seyss Inquart, omdat die persé een NSB- er voor dit wilde hebben.
Het Persbesluit maakte van de journalistiek een gesloten gilde. Als journalist mocht nl. alleen optreden iemand, die lid was van het eveneens door Goedewaagen opgerichte Verbond van Journalisten. Binnen vier weken moest ieder die nog geen lid was en toch journalist wilde blijven, zich melden bij de voorzitter van P.J. van Megchelen net het verzoek lid te mogen worden. Die voorzitter was bevoegd, de aanvrage te weigeren. Joden behoefden zich niet te melden, want zij mochten toch geen lid te worden.

En dan komt de gedenkwaardige vergadering van het bestuur van de Persvereniging met de commissie van toezicht ten huize van de heer C. van Raaij op 61 mei 1941. Mr. D. Okma presideert. Hij vraagt de heer De Haan, die van de redactie aanwezig is, hoe de redactie staat tegenover dit persbesluit.
Antwoord van De Haan: ik heb principieel bezwaar om mij te melden als lid van het Verbond van Journalisten en zal dus ophouden journalist te zijn.
             “Na deze mededeling ontwikkelt zich een vrij uitvoerige bespreking, waaruit       tenslotte de conclusie wordt getrokken, dat het bestuur niet kan voortgaan op deze weg, zonder daarbij te kort te doen aan het doel van de vereniging en den opzet van het blad, daar het verder bij voortzetting niet meer beantwoordt aan wat de statuten bepalen”.

En dan volgt het historische woord:
              “De Voorzitter zegt, dat we ons later niet moeten schamen voor de verantwoordelijkheid, die wij dragen”.
Het besluit valt: de uitgave wordt stopgezet.

Op 17 mei verschijnt het laatste nummer van het Friesch Dagblad tijdens de bezetting. Mr. D. Okma presenteert het zelf aan de Presse- referent en deelt hem mee, dat dit het laatste nummer is. De reactie is dreigend, het woord “Einsperrung”valt. Maar Mr. Okma antwoordt rustig, dat de bezettende macht wel mensen gevangen kan zetten, maar met geen mogelijkheid zal bereiken, dat de krant weer verschijnt. En toen heeft de vijand zich bij dit besluit neergelegd.

(Het heeft de mensen van het Friesch Dagblad verbaasd, dat hun houding zo weinig weerklank, laat staan navolging vond in de dagbladpers. Praktisch iedereen voegde zich. Eind 1942 hadden zich ruim 1400 journalisten bij de creatie van de NSB gemeld, met het verzoek om getoetst en ingeschreven te worden)

Reeds twee dagen later wordt een in der haast samengeroepen ledenvergadering gehouden, waarin de beslissing van het bestuur met algemene stemmen wordt goedgekeurd. Verder wordt het bestuur, en speciaal de voorzitter, van vèrstrekkende volmachten voorzien, en om het juridisch rond te krijgen, worden de notulen daaromtrent meteen opgesteld, gelezen en vastgesteld. Wij geloven niet, dat dit het verhaal is van een anti- climax, eerder het tegendeel.

Kort vervolg

Bijna een jaar later, op 4 mei 1942, in de vroegte, werd een aantal Nederlanders met medewerking van het Nederlandse politie uit hun huizen gehaald en naar St. Michielsgestel in Noord-Brabant gebracht om als gijzelaars in voorraad te worden gehouden. De NSB had overal in het land geholpen bij het uitzoeken van de gijzelaars. Onder de gearresteerden waren C. van Raaij en H. Algra. Tegen laatstgenoemde zou later door de Duitsers nog een proces worden aangespannen op grond van wat hij in het Friesch Dagblad had geschreven. Aantekeningen bij een Duitse vertaling van een nationaal- socialistische Friese dichter, die kort tijd lid was geweest van het “Driemanschap”dat tijdens de bezetting de Friese Beweging zou leiden, was de aanleiding. Er is niets van gekomen, want Dr. Reinberger heeft het dossier tijdig vernietigd.

Voor hen, die werkloos werden door de stopzetting van de krant, is door het bestuur voldoende gezorgd en Mr. Okma, geholpen door anderen, met name door A. Algra (Methoen), heeft tijdens de bezetting een aardig kapitaal weten te verzamelen bij mensen van goeden wille, om klaar te zijn voor de start na de bevrijding. 

JAN FOLKERTS DE HAAN en GRIETJE  JANS DRAGSTRA 




Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen