zaterdag 12 november 2011

HET 69STE LUSTRUM VAN DE GRONINGSE UNIVERSITEIT

Het 69ste lustrum van de Groningse universitet

De oorsprong van de Groninger flankeurs

“Tien dagen – ze zijn ons tien eeuwen van glorie.”
          Mr. H. A. Spandaw
Geen zilveren gedenkbeker met metalen kruis noch een roemrijk flankeursvaandel zou het Groninger academiegebouw sieren, hadden de Belgen op die zwoele augustusavond van het jaar 1830 na de voorstelling van La Muette de Portici in de schouwburg te Brussel er niet de brui aan gegeven nog langer “kostgangers” te blijven in “het vaderlands gezin”.

Zij zetten het in de krant tegen de Koning en dat prikkelde de Noord Nederlanders zeer, aldus prof.dr.I.H. Gosses in zijn college op 30 september 1931 te Groningen over de historie der Groninger flankeurs. Toen Groningen de proclamatie van 5 oktober 1830 bereikte, waarin de Koningin het volk te wapen riep, meldden Groninger studenten zich direct als vrijwilliger aan. Weifelende ouders kregen elf oktober in de Groninger Courant een hart onder de riem van de hoogleraar in de godgeleerde prof. Dr. Joan Frederik van Oordt, geboren te Rotterdam. Hij trok in 1815 als Utrechts student ook uit met veertig vrijwilligers. Ze waren allen “met de blos der gezondheid” teruggekeerd en zeven hunner waren later hoogleraar geworden. Voor de studenten zelf deed een brief van de op aftreden staande rector magnificus, R,M. Nienhuis, de deur dicht: hij had geen zonen aan te bieden maar zou zelf nog gegaan zijn als ziekte hem niet verhinderde.
Op 24 oktober formeerde de Koning bij besluit de “Compagnie der vrijwillige flankeurs” uit de 117 studenten uit Groningen en de 18 uit Franeker die zich met twee uit Gent hadden opgegeven (twaalf Groningers, onder wie Jan Gouverneur alias Jan de Rijmer waren al weg met andere korpsen). De Compagnie mocht haar eigen onderofficieren en korporaals kiezen, De beide hoogleraren Van Oordt en de medicus W. Vrolijk werden 2de luitenant. Het feitelijke commandant lag in handen van kapitein Hylkama, later te Amsterdam vervangen door kapitein Van der Brugghen en 1ste luitenant Van Pallandt. Toegevoegd werden hoornblazers en instructeurs. De uitrusting was die van de gewone infanterist; naast een geweer kregen de studenten een sabel. De reden van Vindicat mochten op de sjako het korpswapen dragen. Op 8 november werd de Compagnie voor de feestelijk versierde soos in militair verband opgenomen.

Op een van ons niet meer aansprekende, nu “verschaalde” hoogdravende wijze in dichtvorm werd de Compagnie uitgeluid door de hoogleraar in welsprekendheid Lulofs met een dramatisch: “Keert roemrijk weer of keert nooit in Gruno’s oude wallen”, waarop namens een “bloeijende maagdenschaar” 92 Groninger jofferen, de studenten bij monde van mejuffrouw Guyot een vaandel werd aangeboden van oranje zij met gouden franjes. Aan de ene zijde het Koninklijke wapen met erboven “Academie Groningana”, en eronder “Vrijwillige Flankeurs Kompagnie”. Aan de andere zijde een fraai geborduurde W. omgeven door een eiken – en lauwerkrans. Op de ene tip van de strik uit groene zijde en zilver stond: “Aan Gruno’s Muzenzonen”, op de andere: “Gaat – overwint – en keert gelukkig”.Op de stok prijkte een Minervabeeld.
Op die dag hielden de flankeurs nog een “kerkparade” en zaten zij in de Martinikerk onder het gehoor van prof. Hofstede de Groot. Zij kregen van de dichter Spandaw een afscheidsstrijdlied mee en van de boekdrukkers een album met de namen in rood fluweel.
Vrijdagmorgen sloeg na het afscheid op de Grote Markt van de hooglerarenstoet het uur van vertrek. De flankeurs, uitgeleide gedaan door de achterblijvende studenten, scheepten zich in enkele schuiten in het Hoendiep. Op het roer van de eerste schuit werd het vaandel geplant, het zingen van het strijdlied was mager wegens veler “beklemde dorst”. De tocht via Franeker naar Harlingen en vandaar naar Amsterdam en Utrecht verliep door ontmoetingen met korpsbroeders nogal genoeglijk. Maar in Etten begon het kantonnementsleven als onderdeel van de eerste divisie in de reserve. De flankeurs kregen hun deel in vermoeiende marsen in regen en modder of schroeiende zon; ze doodden in afwachting van het uur van de slag hun tijd met geweerpoetsen, wachtkloppen, patrouillelopen, biefstuk bakken, brieven pennen naar huis (die terugkwamen gebruikten ze voor servet), tot in hun bivak op kerkhoven toe en ze vonden bovendien naar uit de brieven blijkt van de flankeur Tjalling Petrus Tresling, die door mejuffrouw N. Tonckens van het Universiteitsmuseum in de Groningse Volksalmanak van 1951 aan de vergetelheid werden ontrukt, de tijd om boeken op te doen en te lezen in “dit land der domheid”.

Vooral de brieven van Tresling, die zijn ouders voorrekent dat een flankeur toch wel zeven gulden per dag nodig heeft, geven echt een kijkje hoe het reilde en zeilde op deze veldtocht, die voor de Groninger flankeurs plotseling vastliep op een “kale heuvel” voor Leuven in het dorpje Gubbeek, in de brandende zon. Met aan alles gebreke en “het land van belofte”(Leuven) voor zich. Juist op het moment dat zij zich met onweerstaanbaar vuur in de strijd wilden werpen, was het met de “tiendaagse”gebeurd! De koning der Belgen, die met zijn gehele hoofdkwartier voor het grijpen lag, waarop de weg naar Brussel open zou liggen, kreeg, doordat Frankrijk en Engeland er een stokje voor staken, met de flankeurs niet meer van doen. Deze marcheerden weer terug en vormden nog een tijdlang de erewacht voor de Prinsen van Oranje met wie zij “op familiaire voet” vertoefden.

Zij waren nog even in het vuur geweest en hadden met de Belgen geschermutseld. Luit. Van Palland was door een kogel ter aarde geworpen. De kogel stuitte af op een knoopt van zijn jas. Enkele geweren waren verbrijzeld en flankeurs licht gewond toen de eigen artillerie hen bestookte met drie schoten uit “blikken bussen”. De flankeur Middendorp werd op een nacht die het meest van hun zenuwen vergde, waarin ze almaar met het geweer in de aanslag tussen de kieën in dichte motregen op de Belgen hadden zitten wachten, door een sluipschutter à bout portant in zijn kuit getroffen, toen hij een tak uit een bosje wilde breken. Daar is  later de nare legende uit voortgekomen dat deze flankeur uit een appelboom zou zijn gevallen……
De Koning zelf zwaaide de Compagnie bij de Compagnie bij de slotparade der divisie lof toe en daarop begon de triomfale terugtocht, van Arnhem af per rijtuig! Onder erebogen, met muziek en onder klokgelui trokken ze op de avond van 29 september Assen binnen.

Glorierijk was de blijde incomste te Groningen de volgende dag. Ze werden met rijtuigen ingehaald, onderweg begroet door baron Rengers, de gouverneur der provincie, en curatoren, de achtergebleven studenten, die het oude vaandel van 1672 meevoerden, mr. H, O. Feith namens het stadsbestuur en prof. Seerp Gratama namens de academische senaat. Door een vlaggende stad marcheerden ze naar de Grote Markt, begroet door de senaat in vol ornaat en de Franeker hoogleraren. Het grote moment was daar toen de Groninger jofferen op de stoeptrappen van het stadhuis het door vaandrig Spandaw geheven vaandel omringden en er een krans aan hechtten na een daverend declamatoriums van prof. Lulofs, dat in alle hoeken van de markt te volgen was. In de tot lusthof herschapen binnenhof van de academie wachtte hun prof. Ten Brink nog met een Latijns lierzang. De dag daarop was het feest. De sociëteit was prachtig versierd en verlicht. De boekdrukkers strooiden kersverse feestliederen rond uit een achtkantige “tempel” op de markt. Prof. Hofstede de Groot hield voor de flankeurs een leerrede in de Martinikerk en het stadsbestuur bood hun een weids collation aan in het Concerthuis.
Op 19 oktober werd de flankeurs een grandioos feest bereid te Franeker, ook met een collation met wel honderd gasten.
Zij kregen naderhand nog een fraaie gedenkpenning van curatoren. Men ziet op een zijde daarvan de Nederlandse leeuw met het opschrift: “Repulso hoste, vigil quiescit” (“Na het verjagen des vijands rust hij, maar wakend”).

J. de Haan

(uit: NIEUWE ROTTERDAMSE COURANT, zaterdag 13 juni 1959)
(correspondent uit Groningen: Jan de Haan)

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen